Nederlandse boeren produceren grotendeels voor het buitenland

Agrarische sector Incluis de toeleveranciers en de verwerkende industrie, is de landbouw 7,5 procent van de Nederlandse economie. Of dat veel of weinig is, is een kwestie van perspectief.

Varkens lopen buiten bij een varkenshouderij.
Varkens lopen buiten bij een varkenshouderij. Vincent Jannink

Hoe hoger ontwikkeld de economie van een land is, hoe kleiner doorgaans het aandeel van de landbouw. Want als een economie zich ontwikkelt, verdringen de industrie en dienstensector de landbouw. Maar één land in Noordwest-Europa onttrekt zich aan deze wetmatigheid: Nederland.

In het debat over CO2- en stikstofuitstoot gaat het vaak over inkrimping van de veestapel. Een veel gehoord argument daarbij, is dat de agrarische sector slechts beperkt bijdraagt aan het bruto binnenlands product (bbp). En op het eerste oog lijkt de 1,4 procent die de landbouw in 2018 bijdroeg niet bijster groot.

Toch is het drie keer zoveel als in België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, waar dat percentage gemiddeld op 0,5 procent ligt. „Een belangrijke oorzaak is een politieke keuze uit het verleden. Na de Tweede Wereldoorlog wilde de overheid goedkoop voedsel voor iedereen, en overhouden om te kunnen exporteren”, zegt Martijn Vink, senior-onderzoeker landbouw bij het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). „Dat leidde tot investeringen in kennis en technologie die nu nog het relatief grote belang van de Nederlandse landbouw bepalen.”

Of het belang van de landbouw voor de Nederlandse economie groot of klein is, hangt af van naar welke cijfers je kijkt. „Er zijn veel antwoorden te geven”, zegt econoom Cor Pierik van statistiekbureau CBS. „Die 1,4 procent van het bbp lijkt weinig, maar inclusief de verwerkende industrie en toeleveranciers zoals de zuivelindustrie en veevoerproducenten, ligt dat aandeel al op 7,5 procent.”

Dat geldt net zo goed voor de werkgelegenheid. Kijk je puur naar de boerderijen, dan waren er in 2018 zo’n 170.000 mensen actief in de landbouw, 2 procent van de beroepsbevolking. Inclusief verwerkingsindustrie stijgt dat naar 9 procent, oftewel 810.000 werknemers.

Lees ook de column van Tom-Jan Meeus: Hoe een kans op duurzame landbouw verdween met een procedureel trucje

„Wil je het belang nog wat verder uitvergroten, dan moet je kijken naar de export”, zegt Pierik. Want van wat Nederland produceert, is slechts een kwart voor de eigen markt. De rest gaat naar het buitenland. Nederland exporteerde vorig jaar voor 90,3 miljard euro aan landbouwproducten en importeerde voor 61,4 miljard euro. Vooral sierteeltproducten zoals bloemen en planten (9,2 miljard euro), zuivel en eieren (8,5 miljard euro) en vlees (8,1 miljard euro) gingen daarbij de grens over.

Met zulke cijfers doen de boeren het standaard goed op de lijstjes van grootste landbouwexporteurs wereldwijd. Nederland bezet de tweede plek, na de VS, maar voor het veel grotere Duitsland. De cijfers vertekenen echter om twee redenen. Eén: van de Nederlandse export van 90,3 miljard euro is 24,9 miljard euro wederuitvoer. Dat zijn producten waarvoor Nederland doorvoerland is.

Ook de overgebleven 65,4 miljard euro komt niet volledig van de export van goederen van eigen bodem. Bewerking van landbouwproducten uit het buitenland wordt hierin meegeteld. Zo is Nederland de grootste importeur van cacaobonen ter wereld. Die gaan voor driekwart naar de cacaoverwerkende industrie en een kwart wordt rechtstreeks doorverkocht. Tegenover een exportwaarde van cacao(bereidingen) van 4,4 miljard euro staat een importwaarde van 3,9 miljard euro. Daarmee is de Nederlandse bijdrage beperkt.

De tweede reden dat het cijfer vertekent, ligt volgens Petra Berkhout, landbouweconoom bij de Wageningen Universiteit (WUR), in de nabijheid van afzetmarkten. „Nederland is veel kleiner dan de VS of Duitsland. Zet je producten af in een straal van 400 kilometer, dan ga je al snel de grens over en kom je uit bij voor Nederland grote afzetmarkten als België, het Verenigd Koninkrijk en het Ruhrgebied. Rijd je in de VS 400 kilometer, dan zit je nog steeds in het binnenland.”

Inkrimping veestapel

Een van de aanleidingen voor het boerenprotest is de recente discussie over inkrimping van de veestapel. D66-Kamerlid Tjeerd de Groot stelde voor om het aantal kippen en varkens met respectievelijk vijftig en zes miljoen te halveren. Opvallend genoeg laat hij het melkvee, volgens cijfers van de WUR verantwoordelijk voor zo’n 60 procent van de stikstofuitstoot in de landbouw, buiten schot.

Melk en andere zuivelproducten behoren tot de belangrijkste exportgoederen. Zo gaat 66 procent van alle melk naar het buitenland. Ook exporteert Nederland voor 9 miljard euro aan vlees, maar daar komt voor 5 miljard euro aan vlees voor terug. „Vooral een prijskwestie”, zegt CBS-econoom Pierik. „We exporteren hoogwaardig vlees , maar importeren goedkoop vlees uit Argentinië en Brazilië, dat we dan hier in de supermarkt verkopen.”

De Nederlandse landbouw werkt dus voor een belangrijk deel voor het buitenland. Wat de gevolgen van een inkrimping van de veestapel zijn voor de export is lastig te zeggen. Dat zal afhangen van de keuzes van de sector. Blijft de export op peil, dan heeft dat gevolgen voor wat er beschikbaar is voor binnenlandse consumptie, waardoor de import van varkensvlees mogelijk toeneemt.

Zou de Nederlandse landbouw in de binnenlandse consumptie kunnen voorzien? Economen van de Wageningse universiteit onderzochten dit in 2013. De conclusie: zo’n 17 miljoen Nederlanders kunnen gevoed worden met producten uit eigen land, maar dan verandert het menu wel. Door het wegvallen van de import van veevoer zullen veel intensieve varkens- en kippenhouders moeten stoppen. „Je krijgt een ander dieet met minder vlees en meer peulvruchten”, zegt landbouweconoom Berkhout. „Maar het kan dus wel.”

Dit bericht is geactualiseerd op maandag 7 oktober 2019 met cijfers van het CBS.