Opinie

‘Vrije Haagse jongens’ en integer bestuur gaan niet samen

corruptie-onderzoek

Commentaar

Bijna veertig jaar geleden stopten Kees van Kooten en Wim de Bie met hun alterego’s Jacobse en Van Es. Hun Tegenpartij voor de vrije jongens („Geen gezeik, iedereen rijk”) dreigde getuige de toenemende populariteit in het land bij ‘verkeerde’ mensen wel eens werkelijkheid te kunnen worden. Dus was het voorbij met de wekelijkse verslagen bij de VPRO-televisie van het duo op verkiezingstournee door Den Haag. Geen impressies meer van de campagnebus gesponsord door Vleesboetiek De Moor, snackcafé Marbella en Hobbyshop Robbie.

Anno 2019 lijkt die gevreesde werkelijkheid toch te zijn gearriveerd. Want op een andere manier kan het unieke optreden van het Openbaar Ministerie van dinsdag tegen de Haagse wethouders Richard de Mos (Economie, Sport en Buitenruimte) en Rachid Guernaoui (Financiën, Integratie en Stadsdelen) niet worden uitgelegd. Beiden zijn lid van de Groep de Mos/Hart voor Den Haag met acht zetels de grootste fractie in de 45 leden tellende gemeenteraad. Hun woningen en werkkamers op het Haagse stadhuis werden doorzocht en spullen zijn in beslag genomen. Tevens werden de huizen van drie Haagse ondernemers doorzocht. Het onderzoek richt zich op ambtelijke corruptie, omkoping en schending van het ambtsgeheim, aldus het Landelijk Parket. Ongekend allemaal.

Het probleem in deze even spectaculaire als verontrustende kwestie is dat het nog altijd slechts om verdenkingen gaat. Waar het onderzoek zich exact op richt is onbekend en bewijzen zijn ook nog niet geleverd. Maar zonder voldoende en overtuigende aanwijzingen kan het Openbaar Ministerie zich een grootschalige actie als die van afgelopen dinsdag tegen het bestuur van de derde stad van het land niet permitteren. Het betekent wel dat het landelijk parket aan zichzelf en aan de stad Den Haag verplicht is zo snel mogelijk helderheid te verschaffen.

Ondanks de verraste en verbijsterde reacties stond het schandaal in Den Haag dat zich nu aan het ontvouwen is al min of meer in de sterren geschreven. Aan wethouder en locoburgemeester De Mos zat de zin „Wij regelen het” vastgeklonken. De stap van ‘ombudspoliticus’ zoals hij zichzelf graag noemde, naar onvervalst cliëntelisme is een snelle. Niet voor niets hing al langer rondom zijn persoon een geur van te soepel omgaan met de principes van integriteit. Dit is eerder dan ook in de Haagse gemeenteraad aan de orde gekomen. Daarnaast is de in 2018 door Haagse middenstanders voor een deel gefinancierde verkiezingscampagne niet onopgemerkt gebleven.

Het is veelzeggend dat de door de De Mos aangezochte verkenner Hans Wiegel (VVD), die de basis legde voor de vierpartijencoalitie in de uit vijftien (!) fracties bestaande gemeenteraad, in zijn eindverslag stelde dat een integer bestuur „wezenlijk” is. De beoogde coalitiepartijen zouden hierover met elkaar in gesprek blijven en hierop aanspreekbaar zijn, schreef Wiegel.

Dat aanspreken is nu op zeer bijzondere wijze gebeurd door het Openbaar Ministerie. Hoewel het onderzoek nog loopt is de schade nu al aangericht. Den Haag, de stad die zich zo graag internationaal afficheert als de stad van Vrede en Recht, staat thans te boek als Napels aan de Noordzee.

Wat de conclusies van het Openbaar Ministerie straks ook mogen zijn, duidelijk is al wel dat ook op het lokale niveau partijen aan regels moeten worden gebonden. Regels die er nu nauwelijks zijn. Vrije jongens en integer bestuur gaan nu eenmaal moeilijk samen.