Recensie

Recensie Muziek

Tussen petticoats en korte broeken bloeien Mozarts libertijnse zeden

Opera Bij De Nationale Opera speelt Mozarts ultieme overspel-opera ‘Così fan tutte’ in een jeugdherberg. Er zingt een goede cast en er klinkt fijnmazig orkestspel, maar de voorstelling komt wat langzaam op gang.

Scène uit ‘Così fan tutte’ door De Nationale Opera
Scène uit ‘Così fan tutte’ door De Nationale Opera Foto Hans van den Bogaard

Omstreden was in 2006 de Mozart-cyclus van regisseursduo Jossi Wieler en Sergio Morabito. Maar dat gold niet voor het eerste deel, een sprankelende Così fan tutte in jarenvijftigjeugdherberg-enscenering, inclusief houten lambriseringen, petticoats, stapelbedden en veel nozemige/bakvissige onzekerheid.

Op zo’n voedingsgrond kan de lekker libertijnse plot van Mozart en librettist Da Ponte natuurlijk broeien en bloeien – al waren er bij de première ook toeschouwers die alle snoepkleurtjes en korte broeken niet pruimden, en Mozarts „prachtmuziek dan maar met ogen dicht genoten”.

Così is een lange opera – vier uur duurt de voorstelling – en daarvan bezit de tweede helft in deze productie meer vaart dan de eerste. De zangers én hun stemmen moeten warm draaien en je oren moeten zich voegen naar de eigenschappen van het roterende decor: een carrousel met drie ruimtes (eetzaal, slaapzaal, living). Die staat middenin de grote, open ruimte en geeft akoestisch weinig cadeau, al laat Ivor Bolton het Nederlands Kamerorkest steeds spelen met vaart, nuance en reliëf, en houdt hij rekening met de zangers.

Ten opzichte van de eerste reeks (in 2006) is de cast bezet met wat minder beroemde zangers – op de prachtige Anett Fritsch (Fiordiligi) na, die vocaal ook meteen de diamant van de voorstelling is. Verder zijn de zangers uitstekend, met een overtuigend verlegen Angela Brower (Dorabella) met de lekker jonge Davide Luciano als fraaie Guglielmo naast de soepele, aangename tenor Sebastian Kolhhepp als Ferrando.

De regie moet het in sterke mate hebben van de acteerprestaties van de zangers. Er is duidelijk veel werk gemaakt van het instuderen van alle mokkende schouderrukjes, verongelijkte armen-over-elkaar poses en bravoure-achtige vermommingen – in alle geledingen. Een nostalgische zeurkous merkt op dat Sophia Burgos een verrukkelijke Despina is, maar dat zij nét niet de likkebaardend ontwapenende ordicharme van Danielle Deniese evenaart, die destijds de halve zaal verliefd achterliet.

Daar staat tegenover dat bariton Thomas Oliemans als Don Alfonso opnieuw zijn enorme theatercharisma verraadt, hier als een kampvader die alles toch al eens heeft gezien, en met alwetende mimiek nog maar eens de vlam in zijn pijp zet.