Recensie

Recensie Theater

Ode aan 60 jaar NDT is een etalage voor begaafde dansers

Dans Met ‘Kunstkamer’ gedenkt het Nederlands Dans Theater zijn 60-jarige geschiedenis als smaakmakend, vernieuwend gezelschap.

Scène uit ‘Kunstkamer’ door NDT.
Scène uit ‘Kunstkamer’ door NDT. Foto Rahi Rezvani

Met Kunstkamer gedenkt het Nederlands Dans Theater zijn zestigste geboortedag met een blik op het heden en het illustere verleden. Rebels en baanbrekend was dat; in 1959 splitste een clubje ontevreden dansers zich af van het klassiek georiënteerde Nederlands Ballet (voorloper van Het Nationale Ballet), en sloeg aan het experimenteren met stijlen en technieken.

Jarenlang was de groep een lichtend voorbeeld voor vernieuwingsgezinde dansgezelschappen over de hele wereld. Inmiddels is het onbekommerd mengen van modern en klassiek ‘doodgewoon’.

Het beweegbare decor met hoge gevels, een centrale toegangsdeur en de zwarte tutu van Chloé Albaret zijn verwijzingen naar een nog verder verleden. Maar de zes decennia NDT worden vooral in naam geëerd: diverse delen zijn opgedragen aan belangrijke figuren uit het eigen verleden. Benjamin Harkarvy en Carel Birnie, de grondleggers van het Haagse gezelschap, Hans van Manen, die medeverantwoordelijk was voor de eerste buitenlandse successen, ‘pundit’ Jirí Kylián natuurlijk, en anderen die als directeur of balletmeester van de ‘grote groep’ (NDT1) of de ‘junioren’ (NDT2) waakten over de hoge kwaliteit van het danserskapitaal van het Haagse gezelschap.

Kunstkamer is dan ook vooral een geweldige etalage voor de ongelooflijk begaafde dansers van het Nederlands Dans Theater – die ook verdienstelijke zangers blijken. Het programma toont hen individueel excellerend of spatzuiver groepsgewijs exercerend, in expressieve soli, kleine formaties of synchrone ensembledelen voor het hele tableau van 37 dansers. Uiteraard is er een speciale rol voor Jorge Nozal, de geweldige, immer fascinerende veteraan die de ‘huisstijl’van NDT diep in elke vezel van zijn lichaam heeft vastgelegd, net als Aram Hasler, Marne van Opstal, Lydia Bustinduy en Roger van der Poel.

Zij worden op hun wenken bediend door de huidige huischoreografen Paul Lightfoot, Sol León (samen ook verantwoordelijk voor onder andere het decor), Marco Goecke en Crystal Pite. Onafhankelijk van elkaar creëerden zij bijdragen die als in een spectacle coupé losjes achter elkaar zijn gezet, zonder al te veel maling aan geraffineerde overgangen, spanningsboog of muzikale samenhang. Het Balletorkest speelt onverdroten Purcell en Pärt, Schubert en Strauss, Bartók en Britten, heerlijk rauw onderbroken door Janis Joplin.

Die laatste klinkt in een choreografie van Goecke – als altijd een razendsnelle nerveuze warreling van klauwende en kriebelende handen, staccato bewegingen van hoofd, schouders, plots uitgestoken handen. Guido Dutilh is er een meester in.

Ronduit prachtig is het kwartet dat Pite maakte voor Lea Ved, Jon Bond, César Faria Fernandes en Roger van der Poel op een pianosonate van Schubert (mooi gespeeld door Jan Schouten). Het is een bedachtzame stroom van elkaar meenemen en optillen en energie doorgeven in grote bewegingen; een weldadig rustpunt in het ietwat onevenwichtige en overladen programma.

Het ensemblestuk dat Pite met Lightfoot maakte is eveneens een onberispelijke demonstratie van samenwerking. Met Lightfoot pakt zij vet uit met alle denkbare chorus line-effecten. Ontroerend is vlak voor het einde de ‘re-enactment’ van een groepsfoto van het NDT van weleer. Het zou een gepaster slotbeeld zijn geweest dan de vier geprojecteerde, witte dansschimmen.