Opinie

Overheid moet no-regret duurzaamheid centraal zetten, ook bij het Rotterdamse Warmtebedrijf

Het Warmtebedrijf was een schimmige privaat-publieke samenwerking. Bestaande fossiele belangen mogen niet richting en tempo van het gebruik van restwarmte bepalen, vindt Derk Loorbach.

Illustratie Rik van Schagen

Met het vilein getitelde rapport Warmte zonder leiding van de Rotterdamse Rekenkamer nadert het politieke en financiële drama van het Warmtebedrijf haar hoogtepunt. Zoals ook de NRC al in de zomer liet zien heeft het Warmtebedrijf samen met de Rotterdamse politiek stelselmatig de risico’s onderschat en de voortgang te positief voorgespiegeld. De conclusies van de Rekenkamer zijn hard en spreken van falend bestuur. Het laat zien dat de huidige publiek-private aanpak van de warmtetransitie leidt tot schimmigheid en intransparantie. Het is tijd voor warmtetransitie met open vizier.

Al sinds de oprichting van het Warmtebedrijf, ontstaan in de context van de Rotterdamse klimaatprogramma RCI, is er sprake van ondoorzichtigheid en het ontbreken van kritische tegengeluiden. De gemeente had flinke ambities, en ook een aantal partners waaronder Shell en het Havenbedrijf, die echter een voor een afhaakten.

Restwarmte is immers geen corebusiness en de zogenaamde programma-verantwoordelijkheid (garantie tot continue levering van warmte) is iets waar deze bedrijven niet voor willen staan. Lozen van warmte is niet belast en ‘uitkoppelen’ betekent ongewenst gerommel aan de fabrieken. Dat leidde ertoe dat in 2008 toenmalig wethouder Harbers (VVD) ervoor zorgde dat de gemeentelijke investering van 9 naar 16 miljoen ging en hier bovenop nog eens 18 miljoen overbruggingskrediet werd gegeven. In die context zei SP-fractievoorzitter Theo Cornelissen in 2007 in Trouw: „Feitelijk gezien is het WBR al failliet. Van het originele bedrijfsplan is niets terechtgekomen. De gemeente is in de fuik gezwommen, door miljoenen bij te leggen terwijl andere partijen zich afzijdig hielden.”

Tegelijk waren ook al toezeggingen gedaan voor levering van warmte aan corporaties waarvoor nieuwe warmtebronnen nodig waren. Dit leidde tot afspraken bij de verkoop van de afvalverbrandingscentrale AVR. Later volgden de afspraken over de levering en uitrol van het netwerk met Nuon (en Eneco) en een subsidie voor corporaties om daarmee huurders tegemoet te komen voor de prijs van aansluiting en warmtekosten. Zo heeft de gemeente zich laten vangen in een publiek-private samenwerking waarin ze allerlei halve toezeggingen, garanties (de ‘comfort letter’ die het college aan Nuon verstrekte), kortingen en (verkapte) subsidies moest inzetten terwijl de marktpartijen de volle prijs vangen en niet of nauwelijks hoeven investeren.

Rapport: gemeente nam onverantwoorde risico’s

Dit betekent niet dat warmtenetten een slecht idee zijn: inderdaad is in veel oudere wijken een warmtenet een kosteneffectieve en binnen realistische termijn haalbare route. Maar de publiek-private samenwerking in een Warmtebedrijf en de regie die deels uit handen is gegeven aan marktpartijen met een veel groter eigenbelang, expertise en menskracht, is evident problematisch gebleken. Het is een onontwarbare kluwen van belangen en onderlinge afhankelijkheden rondom het warmtenet in huidige vorm, feitelijk een publiek gefaciliteerd monopolie.

Bestuurlijk, ambtelijk en politiek ontstaat er pas recent meer ruimte voor het verkennen van democratische, coöperatieve, duurzame en transparante warmtealternatieven, zoals onder meer het inrichten van aardgasvrije proefwijken. Die betekenen maatwerk, het afgeven van controle en een op termijn veel lagere rekening voor de burgers. Met het huidige fiasco is de rekening voor de Rotterdammers al hoog genoeg, maar nog erger zou zijn een groot deel van de stad voor decennia op te sluiten in een fossiel warmtenet dat keuzevrijheid beperkt en ons als stad ook de kans op grotere duurzaamheidswinst ontneemt.

Wat nodig is, is vooral het aangaan van de warmtetransitie met open vizier. Uitgangspunt moet zijn om in de praktijk het beste duurzaamheidsrendement te behalen voor nu en de toekomst, tegen de laagste kosten voor de consument, en met het hoogste wooncomfort. Dat betekent ook dat het uiteindelijke doel moet zijn van fossiel los te komen, en dat de richting en het tempo dus bepaald moet worden door politiek en publieke belangen in plaats van bestaande fossiel economische belangen. Een warmtevoorziening die bovendien democratische en transparant is en in publieke handen. Dat kan niet gerealiseerd van achter de tekentafel op grote schaal in een klap. Dat vraagt de maatwerkaanpak zoals die ook door de Rijk is ingezet en waarmee de gemeente inmiddels experimenteert. Als straks het stof van het debat is neergedaald en de financiële pijn is genomen, moet dat overblijven: een warmtetransitie in dienst van de Rotterdammers onder regie van een overheid die publieke belangen en no-regret duurzaamheid centraal stelt.

, hoogleraar Transitie aan de Erasmus Univesiteit en directeur DRIFT