Recensie

Recensie Boeken

Modernisten zijn mystici

Gelatenheid In het tweede deel van zijn trilogie over gelatenheid belicht filosoof Gerard Visser de ‘revolutie in de kunst’ – het modernisme – aan de hand van Nijhoff, Braque en Kawabata.

Foto Enrico Ladusch/Getty Images

‘Er zijn momenten in ons bestaan dat de boom van het leven door een zo geweldige storm wordt aangegrepen dat zij tot in haar wortels siddert’, schreef Martinus Nijhoff in 1921 in een poëzie-recensie. Nijhoff probeerde het electrificerende moment onder woorden te brengen waarop door de aanraking van ‘bovenwereldse wijsheid’ en de ‘laatste en sterkste aardkracht’ het ‘zich verliezende leven’ zich kan hervinden om zo het ‘mateloze tumultueuze lied van hemel en aarde’ verstaanbaar te maken.

Inderdaad, spiritualiteit of mindfulness zijn niet gisteren uitgevonden. En toch was Nijhoff wellicht de grootste Nederlandse dichter uit de twintigste eeuw. Ook in bovenstaande passage klinkt iets door wat Nijhoffs poëzie zo bijzonder maakt: de suggestie van universele opposities gevat in een concreet beeld; waarbij dat beeld (de boom in de storm), ook nog eens op verschillende manieren samenvalt met die opposities (leven en dood, hemel en aarde, stof en geest) waardoor ze verbonden lijken te worden, eenheid lijken te krijgen.

Toch werkt wat in Nijhoffs poëzie zo trefzeker duidelijk wordt gemaakt, minder goed in argumentatief proza – sterker nog, mij gaat het dan op de zenuwen werken. Het is juist het poëtische medium dat een noodzakelijke voorwaarde voor ’s dichters manier van denken lijkt: in proza wordt Nijhoffs mystiek topzwaar. Daarom klinkt bovenstaande passage pretentieuzer en minder ‘duidelijk’ dan terecht beroemde gedichten als ‘Het veer’, ‘Het lied der dwaze bijen’ en ‘De moeder, de vrouw’, die zoals het nieuwe boek van filosoof Gerard Visser (1950) laat zien dezelfde thematiek bevatten, namelijk het vinden van een nieuw, ‘modern’ verband tussen hemel en aarde. Ook die gedichten gaan over de poging om het hemelse, weidse, oneindige (‘mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd - / laat mij daar midden uit de oneindigheid / een stem vernemen) te laten ‘resoneren’ in het aardse van een gietijzeren brug en een voortploegende rijnaak, vanwaar een heel oud lied klinkt dat zo nieuw wordt (‘Het schip dat zij bevoer / kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren. / Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer, / en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren’). Het onzegbare zeggen, daar is de poëzie voor. Maar het onzegbare uitleggen?

Bevrijding van de leegte

De paradoxen die voortkomen uit de ambitie juist dat te doen en zo waarheid en houvast te vinden, zijn de verdienste én het probleem van Gerard Vissers recente lijvige studie over ‘gelatenheid’ in de kunst. Een probleem, omdat net als Nijhoffs proza, ook dat van Visser regelmatig verzandt in zweverigheid, en misschien niet het goede medium is om te zeggen wat het zeggen wil. Maar over het onvermogen te kunnen zeggen wat je wilt in reguliere taal gaat nou net Vissers boek. Welnu, juist het aansnijden van die paradox maakt het boek ook waardevol.

Visser volgt in de eerste plaats een fascinerend spoor: van wat hij de ‘revolutie in de kunst’ noemt in de tweede helft van de negentiende eeuw naar het modernisme. Daarin traceert hij het groeiende wantrouwen jegens de trefzekerheid van het woord, de ordende kracht van het beeld en de vertroosting van traditionele zingeving in bijvoorbeeld religie. Dat stelt hem in staat om te verklaren welke alternatieven voor die traditionele waarden werden gezocht en gevonden in de kunst.

Maar Visser wil meer dan cultuurgeschiedenis schrijven. Wij moeten aan zijn hand rondgeleid ook zelf vrede en rust gaan vinden in kunst en filosofie en inzien dat we het leven moeten laten zijn wat het is zonder het in een ‘verhaal’ te willen persen. Tijdens de rondleiding langs Nijhoff, Braque en Kawabata, krijgen we kortom een preek. Ik ken mensen die zo’n tocht zullen omschrijven als ‘the worst trip I’ve ever been on’, maar zo is het zeker niet.

Visser extrapoleert de filosofische positie van eerst Nijhoff, daarna van de geestelijke vader van het kubisme, de schilder Georges Braque, en ten slotte de Japanse romancier Kawabata (Nobelprijs voor de literatuur 1968) uit hun werk. Een van mijn problemen is misschien dat ik die laatste twee veel minder goed vind dan de eerste, en in ieder geval veel minder overtuigd ben van de filosofische relevantie van Braque’s ‘bevrijding van de leegte uit de beknelling van de perspectivische ruimte’ – ik denk dat sociaalpsychologische en functionele aspecten betere instrumenten zijn om het kubisme te benaderen. Bij de behandeling van Kawabata’s volledig on-westerse omgang met causaliteit wreekt zich iets anders: Visser moet daartoe een complex onderwerp, de typologie van de westerse roman, in veel te kort bestek behandelen. Maar hij maakt in ieder geval aannemelijk genoeg dat wat zijn drie protagonisten in hun kunst doen zinvol in verband kan worden gezien met het concept van ‘gelatenheid’. Dat is denk ik niet alleen, of niet per se die uit de mystieke leer van Meister Eckhardt (1260-1328), waarover Visser eerder een boek schreef en waarmee hij ook nu op de proppen komt. Het motief is al veel ouder en vormt een antropologische constante in mystiek van alle tijden. Het werkelijk interessante is dat Visser laat zien op welke manier modernisten mystici zijn. En dan is dit pas deel twee van een trilogie: een derde deel over gelatenheid vandaag hebben we nog te goed.

Aards en toch transcendent

Eckhardts gelâzenheit kwam nog voort uit kerkvader Augustinus’ oproep om vacare Deo, ‘ruimte te maken voor God’. Maar Vissers 20ste-eeuwse mystici (onder wie ook Heidegger) seculariseren dit principe en willen de dingen door ze te ‘laten’ van een nieuwe, diepere en minder prozaïsche betekenis voorzien, zodat ze hun aardse zelf kunnen blijven en toch ook transcendent zijn. Zo kan de resonantie van de hemel in het aardse bij Nijhoff inderdaad gezien worden als een manier om dat aardse te ‘laten zijn’ zonder het hemelse te ontkennen. Dat is zelfs een bevredigende verklaring voor wat op het eerste gezicht zo moeilijk verklaarbaar lijkt: de emotionele kracht van een gedicht als ‘De moeder, de vrouw’.

Sterk is ook de manier waarop Visser de verhouding tussen hemel en aarde beschrijft aan de hand van de film Der Himmel über Berlin (1987) van Peter Handke en Wim Wenders, waarmee het boek begint. Maar het waardevolst is toch de nobele poging om van diverse kunstvormen te laten zien hoe ze op een filosofisch niveau betekenisvol zijn, en dat hun betekenissen ook verband houden.

Als Visser zijn trilogie voltooit heeft hij meer dan duizend pagina’s over gelatenheid geschreven. Dat doet vermoeden dat achter het masker van de gelatene een fanaticus schuilgaat, zoals je wel vaker ziet bij pleitbezorgers van ‘spiritualiteit’. Zijn boek is te lang, en getuigt van weinig zelfkritiek. Niet alleen is hij als schrijver te veel in zijn boek aanwezig (‘ik heb zelf kunnen aantonen’), ook herhaalt hij zich en formuleert vaak omslachtig. Als de auteur zijn gelatenheid met wat meer literaire discipline zou hebben vormgegeven, waren de bijzondere en belangrijke dingen die hij te vertellen heeft beter tot hun recht gekomen.