Recensie

Recensie

Hoe de woeste Betuwenaren werden getemd

Genealogie Neerlandica Enny de Bruijn beschrijft aan de hand van de brieven het rauwe leven in het 17de-eeuwse Herwijnen. Aandachtige geschiedschrijving van de beste soort.

Manuscript van Arien en Gijsbert van Rijckhuijsen
Manuscript van Arien en Gijsbert van Rijckhuijsen Foto Leids stadsarchief

Arien van Rijckhuijsen, de hoofdpersoon van De hoeve en het hart, is een ongekende braverd. Toch blijkt deze boer de ideale gids om het verhaal over de Tielerwaard in de tijd van de Republiek te vertellen. Jarenlang correspondeerde Arien met zijn zoon Gijsbert, die een bestaan als stadsbode in Leiden had opgebouwd. Het zijn brieven over gebeurtenissen in en om het huis, en de nieuwtjes uit het dorp Herwijnen en wijde omgeving. Vader en zoon hebben bovendien een gezamenlijke obsessie: ze verzamelen fanatiek gegevens om de eigen familiestamboom te reconstrueren. Nabije en verre verwanten verleiden ze tot het ophalen van familieweetjes, die niet zelden legendarische allure hebben. Het opkloppen van het eigen verleden is van alle tijden.

De briefwisseling tussen vader en zoon werd, tezamen met de genealogische gegevens, na het overlijden van Arien in 1750 nog jarenlang in de eigen familiekring gekoesterd, en ten slotte overgedragen aan de Leidse Universiteitsbibliotheek, en en is inmiddels ondergebracht in het Leidse stadsarchief. Neerlandica Enny de Bruijn (1968), een verre verwant van Arien en Gijsbert, stuitte bij toeval op deze papieren schat en zag er een boek in. Dat lag vanwege de wat zoetsappige levenswandel van Arien niet meteen voor de hand. Maar wat De Bruijn met de documenten doet is adembenemend; één grote ode aan het bekloppen van kleine feitjes tot er leven inkomt. Ze levert trage, aandachtige, geschiedschrijving van de beste soort.

Hardhandige liefhebberijen

De wereld waar Arien dagelijks in vertoeft is allesbehalve braaf. Dit stukje Betuwe, door de grote rivieren van de rest van het land afgesneden, blijkt een subcultuur waar ook tijdens de welvarende zeventiende eeuw de beschaving maar heel moeizaam kan doordringen. Ze zijn er gewend aan tegenslag; muitende soldaten, overstromingen, muizenplagen. En ze hebben zo hun eigen hardhandige liefhebberijen om de zinnen wat te verzetten. Er wordt veel gezopen, gegokt, gevochten, en er vallen regelmatig doden. De rechterlijke macht kan vaak weinig uitrichten om de schuldigen te pakken te krijgen. Op het moment suprême woei tien tegen een de lamp uit, en heeft niemand gezien wat er gebeurde. Het is de omertà van de afgelegen dorpsgemeenschap, waar haat en nijd heerst, maar één ding nog erger is en dat is de bemoeizucht van de wereld buiten de eigen gemeenschap.

Alleen al in de eerste helft van de zeventiende eeuw telt De Bruijn in Herwijnen en omstreken zo’n dertig moorden – A.Th. van Deursen kwam bij zijn onderzoek naar het Noord-Hollandse Graft (Een dorp in de polder uit 1994), een gemeenschap van vergelijkbare omvang, voor een hele eeuw op niet meer dan twee keer doodslag. De paradox van deze wetteloosheid is dat veel dorpelingen over een bijna ridderlijk eergevoel lijken te beschikken – één terloopse belediging is genoeg om iemand of zelfs een hele familie tot gewelddadigheid te verleiden.

Want familie is uiteindelijk waar in de Betuwe een mensenleven om draait, en zo zijn we terug bij Arien van Rijckhuijsen en zijn stamboom. De Bruijn laat aan de hand van Ariens genealogische belangstelling zien dat er wel degelijk van alles verandert. De familie van Arien blijkt sinds de zestiende eeuw hard aan de weg te timmeren; ze willen omhoog, vooral de tak van de Roosa’s verschaft de stamboom van Arien de nodige allure. Het familieverhaal wil dat de eerste Roosa’s uit Spanje kwamen, als protestanten gevlucht voor de Inquisitie. Het was een vluchtelingenverhaal waar eer mee kon worden ingelegd, al is er geen bewijs dat het ook echt zo is gegaan. Ook andere families komen opvallend vaak met stambomen aanzetten waar de eerste generatie omwille van het geloof naar de Betuwe gevlucht is.

De verschillende generaties Roosa doen het goed als boer, ze behoren tot de rijkere families van de streek. Het sluiten van lucratieve huwelijken, het liefst net iets boven de eigen stand, is de kortste weg naar meer bezit en aanzien. De Roosa’s zijn er goed in. Sommige dorpsgenoten pakken het wat roekelozer aan: er is een Herwijner vrijgezel die een weddenschap afsluit dat hij nog voor de aanstaande kermis getrouwd is, om de prijs van een paard. Of het gelukt is, vertelt de geschiedenis niet. Het is maar een van de vele prachtige verhalen van alledaagse gekte die De Bruijn door haar boek strooit.

Zwijgcultuur

De hoeve en het hart vertelt het verhaal van een beschavingsoffensief dat buitengewoon rommelig en heftig verloopt, onder aanvoering van een bonte schare gereformeerde predikanten. Het is een wereld die De Bruijn, redacteur bij het Reformatorisch Dagblad, heel goed van binnen kent. Voor haar geen reden om de vele, soms behoorlijk potsierlijke, haperingen in het proces niet breed uit te meten.

Op basis van uitgebreid archiefonderzoek naar gerechtsverslagen en kerkenraadsnotulen, stelt ze vast dat nogal wat predikanten in het woeste Betuwse leven ten onder gingen. Sommigen lopen stuk op de zwijgcultuur; er is weinig voor nodig om een dominee in ongenade te doen vallen – die staat dan voor een lege kerk te preken. Anderen vervallen in Betuwse hebbelijkheden; ze belanden in knokpartijen en raken aan de drank.

Toch maakt de gemeenschap als geheel vorderingen; ze ligt er omstreeks 1700 al een stuk rustiger bij dan een eeuw eerder. De Bruijn schrijft dit, ondanks alle scheve schaatsen, wel degelijk toe aan de ijver van de gereformeerde schoolmeesters en predikanten. Heel subtiel ontleedt ze van generatie op generatie de veranderingen in de dorpsmentaliteit, die wordt telkens wat zachter, bedachtzamer, en zelfs vromer. Maar de Herwijners laten zich niet alles afpakken, hoeveel preken de dominees ook afsteken tegen kermisvermaak, bijgeloof en drankmisbruik.

De dorpelingen blijven in de kern ruige overlevers. Dat blijkt ook uit Ariens verslag van een uitslaande brand in het huis van de buren. Het vriest dat het kraakt, er staat een stijve oostenwind, en het bluswater vriest aan de emmers vast. Het hele buurtschapje dreigt in de hens te gaan. Ariens relaas maakt pijnlijk duidelijk dat al snel iedereen vooral bezorgd is om zijn eigen bezit, en veel minder om dat van een ander. Niet zo vreemd, typisch menselijk. Tot Arien paperassen uit het bezit van de buren langs ziet waaien. Dan wordt de genealoog in hem wakker. Welke belangrijke informatie gaat daar verloren? Ook niet zo vreemd, typisch Arien.

Zulke details, in overvloed. Prachtig!