Een hemelse binnentuin vol gratis boeken

Halte Poëzie

Het goed bewaarde geheim van de Roelof Hartstraat bevindt zich ongeveer halverwege, aan de kant van de Kaaswaag, meteen naast sigarenwinkel Atlantic, waar je behalve paraplu’s ook The New Yorker en de The New York Review of Books kunt kopen.

De poort aldaar geeft toegang tot de smalle gang (‘niet fietsen’) die voert naar een hemelse binnentuin met een spectaculaire ginkgo, een zonnewijzer en een reusachtige magnolia. In de poort die u de binnentuin weer uit leidt, aan de Gerard Terborgstraat, bevindt zich de „Nieuwe Manhuispoort”, met boekenkasten vol gratis boeken.

Wegens dichtbij loop ik wel eens binnen en wat me opvalt, wat ik er ook tref, een lofzang op Stalin, Vadertje Langbeen, Veganistisch eten met James Joyce, poëzie zie ik er nooit.

Met de boekenkastjes overal in de stad is het al net zo. Het kan natuurlijk niet zo zijn dat mensen die hun boeken wegdoen de poëzie altijd houden. Het is eerder zo, denk ik, dat mensen die van poëzie houden hun boeken niet weg doen.

Soms bekruipt me het gevoel dat ik een dubbelganger heb die mij altijd net voor is.

Maar een enkele keer ben ik hem te vlug af.

Die zonnige middag in het najaar bijvoorbeeld, toen ik in de Bosboom Toussaintstraat Halflachend met de wijzen trof, een prachtig blokboek met een door Elisabeth de Jong-Keesing vertaalde keuze uit twintig eeuwen Chinese poëzie. Vertaalde Chinese poëzie is een onzeker genre, waar vaak geen Chinees aan te pas is gekomen. Misschien heeft vertaalster de gedichten zelf bedacht, je weet maar nooit, maar mooie verzen zijn het.

Dit is ‘Zomerliedje’ van Woe Ti (464-549): ‘Toen er bloemen vielen/ uit de kersenboom,/ toen er wielewalen van de twijgen wipten,/ zei jij dat je blijven moest/ om je paard te sparen,/ zei ik dat ik gaan moest en/ zijderupsen voeren.’

In de Rustenburgerstraat vond ik eens een Ilias en Odyssee. In het Grieks. Zat er maar een woordenboek bij, dacht ik, dan ging ik het lezen. Ilias en Odyssee heb ik, helaas, laten staan, maar sinds een tijdje lees ik Dante’s Inferno, met behulp van een in de Bestevaerstraat gevonden zakwoordenboekje.

Een gedicht lezen in een taal die je niet kent, is een wonderlijke ervaring. Je hebt ieder woord opgezocht, maar dan moet je er zelf een vers van maken, maar kijk, ondanks de taalbarrière is er plotseling een gedicht.

‘Lees maar, er staat niet wat er staat,’ want zo gaat dat met poëzie: ‘De schrijfmachine mijmert gekkenpraat.’

Dat is uit ‘Awater’ van Martinus Nijhoff, opgenomen in Nieuwe gedichten, de vijfde druk uit 1946, ook eens gevonden.

In de Dapperstraat wou ik zeggen, maar dat is niet waar. Het was de Tweede van Swinden.

Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.