Haar verkrachter woonde al die tijd om de hoek

Zedenpolitie Noord-Holland Het onderzoek in zedenzaken duurt vaak lang, wat slachtoffers frustreert. De zedenpolitie heeft te weinig mensen, het werk is intensief. „Je moet bestand zijn tegen vaak expliciete inhoud.” Verslag vanaf het politiebureau.

De kindvriendelijke verhoorkamer in Centrum Seksueel Geweld (CSG), in Hoofddorp
De kindvriendelijke verhoorkamer in Centrum Seksueel Geweld (CSG), in Hoofddorp Foto Daniel Niessen

Ze hadden getost wie er mocht blijven. Kop of munt. Zij won, dus haar man ging terug naar huis, naar hun zoontje. Het was kermis en zoals altijd was het hele dorp uitgelopen. Het laatste wat ze weet van die dag, is dat ze in het café met een vriendin staat te praten en plotseling duizelig wordt. Op de wc wil ze haar man een bericht sturen, maar haar vingers luisteren niet. „Hordes meisjes grist Isepp”, typt ze. En: „veelel drugs.”

Het volgende moment zit ze in een tuinstoel in een garage. Een man die haar vaag bekend voorkomt, knielt voor haar op de grond. Haar armen voelen slap en zwaar. Ze kan zich niet bewegen, als in een nachtmerrie. Ze valt weg. „Wat is er gebeurd?”, vraagt ze als ze weer bij is. „Je was helemaal out”, antwoordt de man. „Kom, ik breng je op de fiets naar huis.”

De ochtend erna kan ze zich nauwelijks iets herinneren. „Ben hele delen kwijt”, appt ze een vriendin. Ze vraagt haar om het nummer van de man uit de garage. Als ze hem belt, verklaart de man dat-ie haar alleen geholpen heeft. „Als ik erachter kom wie die drugs in jouw drinken deed”, zegt hij, „doe ik ’m wat aan”. De vrouw vindt het vreemd. Dat ze buikpijn heeft en pijn aan haar vagina, durft ze tegen niemand te zeggen.

Als ze de volgende nacht uit bed stapt omdat haar zoontje wakker is geworden, komen de beelden in één klap terug. De tuinstoel, de garage, hoe ze steeds haar broek omhoog probeerde te trekken. Ze maakt haar man wakker en zegt: „Ik moet je wat vertellen.” Hij pakt een blocnote en begint mee te schrijven. Als ze is uitgesproken, is het al licht. Ze bellen de politie.

De vrouw wil niet herkenbaar in de krant, maar ze wil wel vertellen over wat haar is overkomen. Hoe het is om slachtoffer te worden van een zedenmisdrijf, wat het betekent om er aangifte van te doen. Want wie het niet zelf meemaakt, zegt ze aan de keukentafel in haar nieuwbouwhuis in een Noord-Hollands dorp, heeft geen idee wat erbij komt kijken. En misschien kan ze, door erover te praten, het hele gebeuren ook „een beetje afronden”.

Ze wist dat het lang zou kunnen duren voor het tot een eventuele rechtszaak zou komen. Reken op een jaar, hadden de rechercheurs bij de aangifte gezegd. Ze zeiden ook dat ze haar niet van iedere stap op de hoogte konden houden. Ze begreep het wel. Maar toen ze maandenlang niets hoorde, ging ze toch denken: mijn dossier is vast ergens onderin een la beland.

Het gebeurt vaker dat mensen die aangifte doen van een zedenmisdrijf lang moeten wachten. Bij minstens 350 zaken, zo berichtte Nieuwsuur afgelopen augustus, duurt het maanden tot een jaar voordat de politie een onderzoek heeft afgerond. Dat geldt ook voor zwaardere misdrijven, zoals verkrachting. De reden is dat er simpelweg te weinig mensen zijn. Momenteel werken de zedenteams aan ruim 3.400 zaken en zijn er 614 voltijdbanen, liet de Nationale Politie aan NRC weten. „Drie jaar geleden ging het rond deze tijd om ongeveer 2.700 zaken en dat was behapbaar. Onze rechercheurs staan onder grote druk.”

Mede door de lange wachttijden was er de afgelopen jaren kritiek op de zedenpolitie. Soms stapte een slachtoffer naar de media. Wat onderbelicht bleef in die verhalen, is wat er komt kijken bij een zedenonderzoek. Om die reden vroeg de zedenpolitie Noord-Holland NRC twee dagen mee te lopen voor een kijkje achter de schermen, en te praten met zedenrechercheurs over wat hun werk inhoudt en wie zij zijn.

Niet voortvarend

Een zaak die op deze afdeling voor veel beroering zorgde, was de ‘Hoornse zedenzaak’ uit 2017. Die werd berucht nadat een 26-jarige vrouw in De Telegraaf vertelde dat ze zich door de politie in de steek gelaten voelde. Uiteindelijk spoorde ze zelf de man op die haar op een oktoberavond de bosjes in sleurde en probeerde te verkrachten. Achteraf oordeelde de inspectie dat het politieonderzoek binnen de daarvoor gestelde termijn gebeurde, maar niet voortvarend. Zo was de communicatie met het slachtoffer „niet pro-actief en helder”.

De politie ging door het stof na die kritiek. „Pijnlijk en terecht”, noemde hoofd opsporing Leo Wallage van de eenheid Noord-Holland de teleurstelling van de jonge vrouw uit Hoorn. Er kwamen verbeteringen voor een goed verloop van zedenonderzoeken, zoals een vast aanspreekpunt voor het slachtoffer en investeringen in digitale expertise en ‘tactische’ opsporingsmiddelen.

Nu, bijna drie jaar later, is de zedenpolitie weer veel in het nieuws. Na de berichten over lange wachttijden wil GroenLinks een maximumtermijn instellen waarbinnen de recherche een zaak moet oppakken. Regeringspartijen VVD en CDA steunen het plan.

Een begrijpelijke wens, zegt politiechef Wallage. „Maar het roept wel meteen de vraag op hoe we dit gaan realiseren. En die afgesproken doorlooptijd voor onderzoeken ís er al. Dat we die in een fors aantal gevallen niet halen, daar zijn helaas goede redenen voor.”

Het aantal zaken, zegt Wallage, is „echt te omvangrijk”. Eén langlopend en complex onderzoek in zijn eenheid leidde de afgelopen jaren tot vertraging, net als intensieve samenwerking met andere teams. „Ik begrijp dat dit niets uitmaakt voor de gevoelens van slachtoffers wier onderzoek hierdoor langer of zelfs te lang duurt. Dat is ook het lastige: het valt soms niet goed uit te leggen.”

Op een loodgrijze ochtend serveert Jessica Homburg koffie uit kartonnen bekers op het politiebureau in Haarlem. Buiten maakt de wind golfjes op het Spaarne. Binnen, op de ‘zedenzolder’, is een handjevol rechercheurs aan het werk. Homburg, een dertiger met blauwe ogen en blonde krullen, komt niet zoals veel van haar collega’s „uit de uniformdienst”. Ze is een zij-instromer, vertelt ze, studeerde criminologie voor ze rechercheur werd. Een kleine tien jaar geleden kwam ze bij ‘zeden’. Nu is ze teamleider op de afdeling en ziet ze daarnaast toe op het invoeren van een nieuwe werkwijze – met als bijkomend voordeel dat ze zo’n beetje iedereen persoonlijk kent.

Homburg opent een deur op de lange gang. Een oudere rechercheur die achter een pc zit te werken, steekt zijn hand op. „Dit is de scrumkamer in wording”, zegt Homburg. Hier worden de taken binnen het zedenteam verdeeld. Op een whiteboard staat in tabelvorm een overzicht van lopende zaken, met rode magneetjes voor officieren van justitie, blauwe voor „digi-mensen” en witte voor rechercheurs. De eenheid heeft een zedenteam verdeeld over twee locaties – Haarlem en Alkmaar – en een team dat kinderporno en kindersekstoerisme bestrijdt, in totaal zo’n 55 voltijdbanen. Tot zo’n drie jaar geleden werkten de locaties gescheiden, met eigen werkprocessen en een eigen cultuur. Niet efficiënt. „Nu werken we meer samen, is er gedeelde verantwoordelijkheid en is de aanwezige expertise en ervaring beter verdeeld.”

Van Texel tot Haarlemmermeer

Het vestingachtige gebouw aan de Koudenhorn – in 1768 neergezet als opvanghuis voor minder vermogende ouderen en kinderen, politiebureau sinds de jaren zeventig – is het hoofdkwartier van de politie Noord-Holland. Het gebied van deze eenheid loopt van het noordelijkste puntje van Texel tot het zuidelijkste stukje van de Haarlemmermeer.

Veelbesproken is de zaak van Lars de R., de gitaarleraar en Holland’s Got Talent-finalist uit Krommenie die in 2018 wegens misbruik van jonge jongens werd veroordeeld. Een handvol rechercheurs werkte een jaar lang fulltime aan dit dossier. Dader en slachtoffer zijn in een zedenzaak, net als in dit geval, vaak bekenden.

Niet elke agent kan zomaar bij de zedenpolitie. Wie het werk wil doen moet daarvoor intern solliciteren, ervaring hebben met opsporing en een opleiding volgen die zes tot twaalf maanden duurt. „Het moet bij je passen”, zegt Jessica Homburg. „Je moet bestand zijn tegen de vaak expliciete inhoud van de onderzoeken en de impact ervan, rekening houden met de emoties van het slachtoffer en de belevingswereld van de vermeende dader. Je moet afstand kunnen bewaren.”

Lees ook: De verkrachter is een gewone vent, en hij is overal

Binnen het korps heeft ‘zeden’ een soft imago. Homburg: „Collega’s zien vooral de gevoelige, emotionele kant van het werk.” Het klopt: intensief contact met mensen – slachtoffers, getuigen, verdachten – is een belangrijk aspect. Maar naast zacht op de persoon, is een zedenrechercheur óók hard op de feiten. „Je moet kritisch zijn én empathisch.”

Zedenmensen zijn een apart slag, denkt rechercheur Jolanda, die vanwege de gevoeligheid van haar werk niet met haar achternaam in de krant wil. „Het is een specialisme, het moet je liggen.” Neem haar eigen expertise: als studioverhoorder van „kwetsbare getuigen” interviewt ze kinderen tussen de 4 en 12 jaar en verstandelijk beperkten die mogelijk getuige zijn van een zedenmisdrijf. „Als ik mijn werk door de ogen van iemand anders bekijk, denk ik ja, dit is wel heftig…” De motivatie om het werk te doen, denkt ze, komt voort uit het verlangen iets te kunnen betekenen voor dit soort slachtoffers. „Op de een of andere manier is dat wat ik het liefste wil.”

Yuri Cornelisse is als politieman in de minderheid bij zeden: ongeveer tweederde is vrouw. Het is, denkt hij, een vorm van politiewerk die niet iedereen kan of wil doen. „Collega’s in blauw hoor ik weleens zeggen dat ze gewoon boeven willen vangen. We voeren gesprekken over de meest intieme dingen, voor sommige mensen is het lastige materie.” Collega Marieke Visser: „We praten de hele dag over seks, dat is natuurlijk wel een dingetje.”

Snel schakelen

Voor hij bij de politie ging, was Cornelisse profvoetballer bij ADO Den Haag, hij stond bekend om zijn radslag na elk doelpunt. „De gesprekken die ik als voetballer had met mensen uit allerlei lagen van de bevolking, vond ik terug in dit werk. Je leert je aanpassen. Slachtoffers vertellen soms voor het eerst hun verhaal aan jou. Dat is moeilijk, het vraagt om een mate van vertrouwen.” Daarnaast, zegt Cornelisse, moet je net als op het voetbalveld „snel kunnen schakelen”: meteen handelen als er tijdens de piketdienst een melding binnenkomt.

Vaker dan bij andere misdrijven is er in zedenzaken weinig bewijs. Zijn er verschillende versies van een verhaal, is het het woord van de één tegen dat van de ander. Vrij duidelijk is het als iemand ‘nee, ik wil het niet!’ heeft geroepen. Maar wat als er drugs in het spel waren? Of iemand een freezereactie kreeg? Dan, zeggen de zedenrechercheurs, moet je ongemakkelijke vragen stellen om de feiten boven tafel te krijgen. Jessica Homburg: „Vragen als: hoe wist die ander dan dat jij het niet wilde? Je moet als het ware een traumatische ervaring juridisch maken, zodat je een strafrechtelijk traject in kan.”

Het ‘informatieve gesprek’ dat vooraf gaat aan iedere aangifte, geeft mensen soms het gevoel dat ze worden ontmoedigd. Of weggestuurd, zoals de vrouw uit Hoorn. Het is een groot misverstand dat zo’n beetje iedereen bij zeden wil rechtzetten: het gesprek is bedoeld om duidelijkheid te scheppen. Aangifte doen kán altijd, maar vrijblijvend is het niet. Een strafrechtelijk traject heeft impact. „Mensen onderschatten hoezeer we doorvragen”, zegt rechercheur Marieke Visser. „Hoe lag je daar? Wat deed je toen? Wat voelde je? Waar stopte hij zijn piemel? Een forensisch medisch onderzoek is óók heftig. Als er net iets tegen je zin is gebeurd en je moet daarna in de spreidbeugels met een medisch team erbij, wil je daar wel op voorbereid zijn.”

Het informatieve gesprek met de vrouw die gedrogeerd werd op de kermis vond plaats in het Centrum Seksueel Geweld in Hoofddorp, de plek waar zedenslachtoffers door forensisch artsen worden onderzocht. Ze herinnert zich dat de agenten haar zeiden dat ze goed na moest denken over het doen van aangifte, dat het een van de zwaarste aanklachten betrof. „Ze zeiden ook dat als ik het verzonnen zou hebben, ik het gewoon moest zeggen en ze me dan op een andere manier zouden helpen. Maar ik twijfelde er niet aan dat ze me geloofden. Het was wel duidelijk dat er iets was gebeurd.”

Zeker als slachtoffer en dader elkaar kennen – volgens rechercheurs in 85 tot 95 procent van de zaken het geval – is een straftraject niet altijd de beste optie. Visser: „Soms kun je uit verklaringen opmaken dat iemand daar niet bij gebaat is. Als blijkt dat diegene meer heeft aan andere hulp, richten we ons daarop.” Ze ziet het informatieve gesprek ook als een vorm van verwachtingsmanagement. „Mensen kunnen onrealistische ideeën hebben. Dan zeggen ze: de buurman heeft aan me gezeten, ik wil dat hij verhuist. Zoiets kunnen wij natuurlijk niet voor elkaar krijgen.”

De drempel om contact te zoeken met de zedenpolitie is lager geworden, merken ze in Noord-Holland. Mensen beschikken over meer informatie, en door een beweging als #MeToo durven slachtoffers van seksueel geweld zich sneller uit te spreken. Een positieve ontwikkeling, zegt Jessica Homburg. Maar meer meldingen betekent ook dat het voor de zedenpolitie lastiger is de aandacht goed te verdelen. „Wat maakt die verkrachting ernstiger dan een aanranding? Hoe prioriteer je in leed? Dat is natuurlijk niet te meten, en je wilt niet degenen die het hardst schreeuwen voorrang geven.”

Gelukkig, zegt Homburg, is er door de politie en het OM een goede richtlijn geschreven. „Zaken waarbij de kans op herhaling groot is, of bijvoorbeeld jonge kinderen of kwetsbare personen zijn betrokken, krijgen prioriteit.”

Het frustreert sommige zedenrechercheurs dat het beeld is ontstaan dat zij er de kantjes vanaf lopen. Homburg ziet dat ook: „Als je mij vraagt wat in dit vak het zwaarst is, zijn dat de gevolgen van de hoge werkdruk. Zedenrechercheurs zijn erg betrokken en willen goed werk leveren, het liefst binnen een schappelijke termijn. Nu lukt dat niet altijd. Ik denk dat collega’s daar wel eens van wakker liggen.”

Hoofd Opsporing Leo Wallage erkent dat er „enorme druk” staat op zeden. „Kiezen in of tussen zaken is ingewikkeld en beladen en de spanning die dat oplevert zou meer bij de politieleiding en het Openbaar Ministerie moeten liggen”, zegt hij. „Dat moeten we meer op scherp stellen.” Het probleem raakt volgens de politiechef echter aan een groter dilemma: „Natuurlijk kan ik meer rechercheurs toevoegen aan de zedenafdeling, maar dat betekent dat ik mensen moet weghalen bij andere belangrijke thema’s als moord- en doodslag. Er zit bij ons echt niemand op de reservebank niets te doen.”


Foto Daniel Niessen
Het Centrum Seksueel Geweld in Hoofddorp
Foto’s Daniel Niessen

Vrij rondlopen

De vrouw uit Noord-Holland leefde de afgelopen jaren in „een andere wereld”. Ze verhuisde, wisselde van baan. Nog steeds raakt ze soms ineens in paniek. Nadat ze aangifte deed, was haar in het belang van het onderzoek aangeraden de zaak stil te houden. Ondertussen liep haar verkrachter, de man uit de garage die nog geen kilometer verderop bleek te wonen, maandenlang vrij rond. „Een psychische marteling.”

Toch is ze blij dat ze naar de politie stapte. De man werd uiteindelijk veroordeeld, al duurde het ruim tweeënhalf jaar. Het eindeloze niet-weten, zegt ze, was misschien wel het moeilijkst. „Eigenlijk geef je het uit handen. Zodra je je verhaal vertelt, is het niet meer van jou.”