Opinie

Boeren en vissers weten: het is voorbij

In Europa

Geert Wilders op de boerenbarricades – het deed denken aan Jean-Luc Mélenchon van de radicaal-linkse La France Insoumise, die zich vorig jaar net als andere oppositieleiders een weg naar het woordvoerderschap van de gele hesjes probeerde te ellebogen. Hij stond laag in de peilingen. Hij was een politieke veteraan wiens claims als ‘buitenstaander’ hol begonnen te klinken. Hij had last met justitie. Hij zon al langer op een doorstart, op een kar om bovenop te springen. De revolutie is, zoals bekend, werk van lange adem.

Maar de echte Haagse Robespierre, dat was Henk Bleker. De oud-CDA-bewindsman legde de vinger op de zere plek: „Laat je niet door een handvol loser-achtige veganisten en dierenactivisten op de kast jagen!” Een voltreffer. Op Twitter werd Bleker „dierenmoordenaar” genoemd. En de boeren „slavenhouders”.

Dit conflict gaat over een veranderende wereld en hoe moeilijk het is daar beleid voor te maken. En vooral, hoe je burgers meekrijgt. Want als het beleid verandert, zijn er burgers die het roer om moeten gooien. Dat doet pijn. Het bezorgt hun slapeloze nachten. Ze hebben het gevoel dat zij en hun groep er niet meer toe doen bij de beleidsvorming. Anderen hebben die plek ingenomen.

Bestuurders en politici moeten handelen in het algemeen belang. Tegelijkertijd moeten ze proberen de pijn bij die kleine groep te verzachten. Lang, te lang, deed de regering alsof Europa het probleem was. Dat spel is uit. Daarom keert het boerenprotest, dat lang vooral tegen Brussel was gericht, zich nu tegen Den Haag.

De historicus Luuc Ritmeester schreef vorig jaar een fascinerende scriptie voor de Universiteit van Utrecht over de vraag waarom Nederlandse vissers zo anti-Europees waren tussen 1977 en 2002, toen het Europese visserijbeleid vorm kreeg. Zijn antwoord luidt: omdat de natuur steeds belangrijker werd bij de Europese besluitvorming, en het belang van de vissers steeds minder belangrijk. De vis verdrong de visser, als het ware. Exact hetzelfde speelt bij de boeren.

In Brussel werden dieren- en milieubeschermers eerder bij het beleid betrokken dan in Den Haag. De vissers klaagden steen en been over het democratisch tekort in Brussel en de ontoegankelijkheid van de Europese Commissie. Maar toen ze die toegang eenmaal hadden, en hun Brusselse lobby op stoom kwam, bleven ze negatief over het Europese visserij-beleid. Want hun echte probleem was gebleven: de natuur.

Het interessante is dat de vissers toen wél positief waren over de Nederlandse regering, terwijl het grotendeels nationale regeringen zijn die in Brussel de besluiten nemen (de Commissie doet alleen voorstellen). Maar Den Haag was altijd dik met de vissers. Europese visquota en andere regels worden nationaal afgedwongen, maar Nederland was laks. Vissers liepen de kantjes eraf, de overheid keek weg. Ritmeester citeert minister van Landbouw en Visserij, Jan de Koning (CDA), die in 1984 zei dat hij er „niet voor de vis, maar voor de vissers” was.

Toen de regering eind jaren tachtig ingreep, kwamen er rellen en blokkades. De vissers vergeleken Nederland met de Sovjet-Unie, die ook mensenrechten schond, of ze vergeleken wat hun overkwam met jodenvervolging. Eindelijk namen ministers verantwoordelijkheid voor besluiten die ze in Brussel hadden genomen. De Europese politiek ‘landde’ in Den Haag. Sindsdien krijgt Den Haag van de vissers ook de volle laag.

Er waren vissers op het Malieveld, maandag. Eén van hen zei: „Brussel is hier 100 kilometer vandaan, maar ik kan u verzekeren dat het verder van ons vandaan staat als (sic) de maan. En daar heb je dan met goed geluk nog licht van.”

Brussel is een heerlijke zondebok, vraag het Wilders en Bleker maar. Maar klimaat is het echte thema, en de boeren leveren een achterhoedegevecht. Net als de vissers, uiteindelijk. En ze weten het.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.