'Voor een blinde is dit het ideale tijdperk'

Van geluk gesroken Coen Verbraak interviewt mensen over geluk. En over hoe dat soms naadloos verweven kan zijn met ongeluk. Deze keer: Esther Crombag werd blind op haar elfde.

Illustratie Martien ter Veen

Tot haar elfde was er niets aan de hand geweest. Esther Crombag (44) leidde een onbezorgd leven, met haar ouders en haar oudere broer. Ze had het naar haar zin op school in Berg en Terblijt, had vriendinnetjes. De zomer van 1986 gingen ze op vakantie naar de Jura in Frankrijk. Ze had haar hartsvriendin beloofd dat ze vanuit Frankrijk zou schrijven. Dus daar zat ze, aan een campingtafeltje, met roze briefpapier. En toen gebeurde er iets raars. Ze wist toch zéker dat er lijntjes op dat papier stonden. Waar waren die opeens gebleven? Ook het papier zelf leek helemaal wazig te zijn geworden. Ach, ze zou wel moe zijn, dacht haar moeder. „Ga maar lekker spelen.” Op de speelplaats liep ze overal tegenaan. „Toen begonnen mijn ouders zich ernstig zorgen te maken.” De volgende ochtend pakten ze alle kampeerspullen in, om terug te rijden naar Nederland. Het moet rond twaalf uur ’s middags geweest zijn toen Esther vroeg: „Rijden we nu in de nacht of overdag?”. „Toen beseften we allemaal dat het heel erg mis was. Er hing een ondraaglijke spanning in die auto.”

In het ziekenhuis werd een MRI-scan van haar hoofd gemaakt. Er bleek iets op de kruising van haar oogzenuw te drukken. „De neurochirurg zei: als het weg is, heb je kans dat je zicht weer terugkomt. Ik ging vol vertrouwen de operatie in. Het laatste vage beeld dat ik heb is het mosgroen van de deuren van de operatiekamer.” Toen ze na de operatie wakker werd, zag ze helemaal niets meer. De wereld was opgelost in ondoordringbaar duister. „Toen werd ik angstig.” De neurochirurg had ‘goed en slecht nieuws’. De ongerechtigheid op haar oogzenuw was maar een cyste, en geen tumor. „Maar hij zei ook: je oogzenuw is zodanig aangetast dat dit voortaan je nieuwe wereld zal zijn.”

De eerste dagen was ze in shock. „Maar ik dacht ook: ik moet wél verder.” De gewone dagelijkse dingen waren ineens onneembare horden geworden. „Smeer maar ’ns pindakaas op je brood met je ogen dicht, weet het verschil maar tussen suiker en zout. Je loopt in je eigen huis voortdurend tegen alles aan. Die eerste zomer heb ik vooral stilletjes in een stoel gezeten.” Ze zou dat jaar naar groep acht gaan. Maar ja, haar school had geen faciliteiten voor een blind kind. Dus moest ze naar het blindeninstituut in Grave. Ze voelde zich snel op haar plaats. „Ik zat daar tussen lotgenoten. De ziende wereld vond mij alleen maar zielig. Als ik met mijn moeder binnenkwam bij de bakker werd het ineens stil. Er was zelfs iemand die tegen mijn moeder zei: ‘Misschien had ze maar beter dood kunnen zijn’. Waar ik náást stond. Dat deed zo veel pijn. Op het instituut vonden we elkaar niet zielig. Je schold elkaar gewoon keihard uit voor blinde mol.”

Hongerstaking

Toen haar ouders na een half jaar toch een middelbare school vonden die haar wilde aannemen, was ze rázend. „Ik ben drie weken in hongerstaking gegaan. Mijn vader, die leraar is, dacht: Esther heeft méér in haar mars. Op dat instituut komt ze nooit verder dan een baan als telefoniste.” Ze belandde op een gewone mavo. Voor het begin van het schooljaar stopte er een vrachtwagen voor de deur om haar schoolboeken in braille af te leveren. „Alleen al het werkboek Engels bestond uit 25 dikke banden.” Ze had het aanvankelijk zwaar. Ze zat altijd alleen, werd nooit gekozen met gymnastiek. „Ik had één houvast: ik wist dat ik goede hersenen had. Op het blindeninstituut zat ik bij kinderen in de klas die geestelijk soms niet helemaal goed waren. Uiteindelijk ben ik mijn vader eeuwig dankbaar dat hij mij daar heeft weggehaald.” Na de mavo volgde de havo. Daarna de Sociale Academie, en een rechtenstudie. Binnen vier jaar was ze cum laude afgestudeerd. „Ik ben in het ideale tijdperk geboren. Bijna alles is digitaal beschikbaar en met mijn braillelezer kan ik lezen wat ik wil.”

Daarnaast begon ze te sporten. Als kind was ze al heel sportief. Volleybal en tafeltennis, dat lukte als blinde natuurlijk niet meer. Daar had ze zich bij neergelegd. Totdat iemand vroeg of ze iets voelde voor fietsen op een racetandem. „Toen we begonnen had ik een conditie van nul. Maar het smaakte naar meer. Ik trainde uiteindelijk twintig uur in de week.” Ze werd vier keer Nederlands kampioen en nam deel aan EK’s en WK’s. Toen ze na vijf jaar topsport stopte met wielrennen, besloot ze een boek te schrijven en lezingen te geven over wilskracht en geluk. Gecombineerd met haar aanstelling aan de rechtenfaculteit in Maastricht. ‘Blind Vertrouwen’ heet haar bedrijf. „Mijn leven is goed. Mijn blindheid heeft mijn ogen geopend en mij gedwongen het beste uit mezelf te halen. Als iemand me zou voorstellen om me te opereren om m’n zicht terug te geven zou ik vast ‘nee’ zeggen. Mijn blind zijn heeft me uiteindelijk heel gelukkig gemaakt.”

Wilt u uw eigen verhaal over (on)geluk vertellen? Mail: hetblad@nrc.nl o.v.v. Geluk