‘Vang een slang nooit, nooit met blote handen’

India Ieder jaar sterven zo’n 45.000 Indiërs door een slangenbeet. Ook in delen van Afrika wordt het dodental onderschat. De WHO wil mensen beter inlichten over de gevaren. „Je moet gewoon moedig zijn.”

Slangenvanger Mohammed Saleem, met een cobra in Bhopal, India. De laatste dertig jaar heeft hij duizenden slangen gevangen.
Slangenvanger Mohammed Saleem, met een cobra in Bhopal, India. De laatste dertig jaar heeft hij duizenden slangen gevangen. Foto’s Sanjeev Gupta/ EPA

Het verdriet in het huis van Goru Mali begint bij de voordeur. Op grote kleden die het harde beton moeten verzachten, zitten heren met snorren zo wit als hun tulbanden en hemden. Uit het zicht zitten de vrouwen, verscholen achter lagen oranje en geel voile. Het is dag negen sinds een cobra Mali in zijn enkel beet en de rouw is nog in volle gang.

Mali, die volgens zijn broer eind veertig was, was die juli-ochtend alleen naar hun akker gegaan. De moesson had Rampurabas, een gehucht in het noorden van deelstaat Rajasthan, niet gespaard en de lap grond van de familie Mali in een kleine vijver veranderd. „Goru ging de schade opnemen”, zegt zijn broer, wiens schedel glanzend kaal is, een gebruik onder hindoemannen als een naast familielid sterft.

Terwijl Mali aan het werk was, voelde hij plots een steek in zijn enkel. Een insect, dacht de boer. Tot hij duizelig werd en zijn enkel begon op te zwellen.

Officiële data ontbreken, maar geschat wordt dat jaarlijks zo’n 45.000 Indiërs sterven door een slangenbeet – meer dan waar dan ook ter wereld. Nog eens tienduizenden anderen hebben iets meer geluk: zij komen ervan af met ‘slechts’ geamputeerde ledematen of permanente blindheid, dankzij artsen die er op tijd bij waren om erger te voorkomen.

Maar in de rurale delen van India is dat laatste eerder uitzondering dan regel. Daar botst een gebrekkige gezondheidszorg op een diepgeworteld bijgeloof. Met fatale gevolgen.

Te laat

Zijn familieleden zeggen dat ze Mali meteen naar het lokale ziekenhuis brachten, een wit met paars gebouw waar de verf van afbladdert en waar de dienstdoende arts niet lang nodig had om te oordelen dat hij de boer niet kon helpen. Mali, die inmiddels niet meer kon praten, moest naar het ziekenhuis in Jaipur, zo’n twee uur verderop. Hij stierf halverwege de rit.

Dat is de ene versie van dit verhaal. De andere wordt verteld door Nand Kishir Baghwan, een tengere man met een stem als een schoorsteen en een kunstig in elkaar gevlochten tulband op zijn hoofd. De familie had Mali eerst naar hem gebracht, zegt de priester van de lokale tempel. Dat doet iedereen hier. Bij pijn, bij ziektes. En zeker bij slangenbeten.

Baghwan deed wat hij altijd doet. Hij bestreek Mali met pauwenveren waarna hij met een bamboerietje het gif uit diens enkel zoog. De priester wil niet beweren dat het altijd werkt, maar: „Velen genezen, vraag maar rond.” Dat het bij de boer anders liep, kwam omdat die te laat bij hem werd gebracht, zegt Baghwan. „Het gif zat al in zijn hoofd.”

De priesters succesclaim is niet eens zo vergezocht, volgens slangenexpert Jose Louies, die is verbonden aan de Wildlife Trust of India. Al wordt Baghwan daarbij vooral geholpen door biologie en niet zozeer door hogere machten. „Van de honderd slangenbeten is nog geen 5 procent giftig”, zegt Louies. Omdat de slang niet giftig was of de beet ‘droog’ (zonder gif in te spuiten).

Louies: „Natuurlijk heeft zo’n priester dan een goede reputatie.”

Veel minder vertrouwen is er in de kleine plattelandsklinieken en lokale ziekenhuizen die berucht zijn door hun tekorten – van bedden en artsen tot het in deze gevallen cruciale antigif. Hierdoor wordt medische hulp volgens Louies vaak pas veel te laat gezocht, met duizenden onnodige doden tot gevolg.

Slangenvanger Mohammed Saleem aan het werk
Foto’s Sanjeev Gupta/ EPA

Dat is niet alleen een Indiaas probleem. De Wereldgezondheidsorganisatie bestempelde slangenbeten in 2017 als een verwaarloosde tropische ziekte waarvan met name in Afrika ten zuiden van de Sahara en Azië het dodental wordt onderschat. Een „gecoördineerde internationale aanpak” was nodig, deze werd in mei van dit jaar gepresenteerd.

Voorop daarin staat: lokale gemeenschappen beter onderwijzen (’empoweren!’) over de gevaren van slangenbeten en het belang van medische hulp benadrukken.

In India is van enige urgentie vooralsnog weinig te merken. Van een doelgericht beleid zoals voor malaria en tuberculose is geen sprake, ondanks aandringen van artsen en ngo’s. En dus proberen die het gat zelf te vullen.

Discovery Channel

De ochtendzon is nog niet op zijn warmst als Joy Gardner zijn Hyundai onder de schaduw van een boom parkeert. Vriendelijk en een beetje timide lijkt de 36-jarige slangenredder uit Jaipur op het eerste gezicht weinig weg te hebben van zijn idool, wijlen Steve Irwin, het overenthousiaste Australische televisiefenomeen.

Tót Gardner over slangen begint.

„Ze zijn zo mysterieus!”

„Hoe ze bewegen!”

„Ze overleven niet alleen zonder benen, ze heersen!”

De vangst van slangenvanger Mohammed Saleem Foto Sanjeev Gupta/ EPA

Net als Irwin ziet Gardner het als zijn missie misverstanden over deze machtige beesten de wereld uit te helpen. In zijn geval – en zoals ook zijn collega’s doen – met een laptop vol Powerpointpresentaties, bedoeld voor iedereen, van arts en ambtenaar tot dorpeling.

Deze ochtend bestaat zijn publiek uit boswachters van een reservaat even buiten Jaipur. Gezeten op bankjes in de schaduw van het majestueuze Amber Fort leert Gardner hen hoe ze de giftigste slangen in deze regio kunnen herkennen, wat de symptomen van dodelijke beten zijn en vooral – wat ze dan moeten doen („Het eerste uur is het gouden uur”).

Ook demonstreert Gardner met een lange haak hoe een slang hoort te worden gevangen. „Nooit, nooit met blote handen.”

Shir Kishor, 42, een lange vent met snor en een voorkomen dat in alles schreeuwt dat hij een tijd in het leger heeft gezeten, is van dat laatste niet onder de indruk. Hij kijkt iedere dag naar Discovery Channel en National Geographic, zegt hij.

„Ik kan ieder dier redden . Je moet gewoon moedig zijn.”

Tussen het relatief jonge gezelschap valt één verschijning op. In een hoekje zit Kalyan, zijn gezicht een landschap van diepe groeven en wit borstelig haar. Alleen God weet hoe oud hij is, zegt hij. Kalyan komt uit een aangrenzend dorpje en was door Kishor voor de workshop uitgenodigd. Leunend op een lange stok luistert hij aandachtig.

Hij is nooit door een slang gebeten, vertelt-ie naderhand. Zelfs niet toen hij ’s nachts eens wakker schrok van een exemplaar dat over hem heen glibberde („Net alsof iemand met een ijsblokje over mijn buik ging”).

Wat Kalyan nu zou doen als hij door een slang wordt gebeten? De oude man lijkt de vraag maar gek te vinden. Naar de tempel natuurlijk.

„In het ziekenhuis gaan mensen dood.”