Rob Trip

Foto Merlijn Doomernik

Rob Trip: 'Er is een soort onverwoestbare opgewektheid in mij gevaren'

Rob Trip Bij presentator Rob Trip werd in februari prostaatkanker geconstateerd. Hij kroop door het oog van de naald – voor de tweede keer in zijn leven – en is inmiddels weer terug bij het Journaal. „Ik besef heel goed dat ik er genadig van afgekomen ben. ”

Het was zo op het oog een heel gewone Journaal-uitzending, op maandagavond 19 augustus 2019. Perikelen bij Forum voor Democratie, nieuws over een opgerolde terreurcel, rokers die proberen te stoppen op kosten van de zorgverzekeraar. Presentator Rob Trip stond erbij alsof hij nooit was weggeweest.

Terwijl het zijn eerste NOS Journaal was in ruim een half jaar. In maart moest Trip plotseling zijn werkzaamheden neerleggen nadat er bij hem prostaatkanker was geconstateerd.

„Het was ongelofelijk fijn om weer terug te zijn.” Dat klinkt misschien braaf en stichtelijk, maar zo wás het gewoon, zegt Rob Trip (59). „Ik vind het zo heerlijk om weer naar Hilversum te kunnen rijden.” Zijn wereld was in dat half jaar onwaarschijnlijk klein geworden. „Toen ik langzaam begon op te knappen, vond ik het wegbrengen van het snoeiafval al een uitje. Hè, lekker, even in de auto.”

Er was een periode waarin hij helemaal niet zeker wist of hij ooit nog zou terugkeren. „Nadat ze een scan hadden gemaakt, hoorde ik dat het foute boel was. Ze hadden rare plekken gezien. Als de kanker uitgezaaid zou zijn, zou er alleen palliatieve behandeling mogelijk zijn. In die dagen was er even helemaal geen toekomst meer. Alleen totale onzekerheid.”

We zitten in de zithoek bij de haard, met zicht op de tuin, waar de herfst langzaam binnensluipt. Hier zat-ie vaak, in die maanden dat het slecht ging. In zijn joggingbroek, opgezwollen als een Michelinmannetje, krimpend van de pijn.

Cryptische opening

Trip is eerder ernstig ziek geweest. In 2001 lag hij door een herseninfarct in coma. En toch was dat anders. Daar kreeg hij zelf niets van mee; nu zat hij er middenin.

Hij had helemaal geen klachten toen hij in februari bloed liet prikken. „Maar omdat ik iemand gekend heb die al jong prostaatkanker kreeg, laat ik mezelf al acht jaar controleren op PSA.” Dat is een eiwit dat wordt afgescheiden door de prostaat. „De laatste twee keer waren die uitslagen aan de hoge kant. Huisartsen zijn dan terughoudend: een hoge waarde betekent nog niet dat je prostaatkanker hebt. Maar andersom geldt: als je wél prostaatkanker hebt, dan is die waarde per definitie hoog. Dus ik zei: ik wil echt verder onderzoek. Niet bij ‘een uroloog’, ik wil naar het sneldiagostiektraject in het Radboud-umc. Als ik dat niet had doorgedrukt, was ik er misschien niet levend uitgekomen. Dat is mijn boodschap aan mannen van mijn leeftijd: laat je bloed prikken, bij twijfel moet je echt zelf in actie komen. Te veel huisartsen laten het erbij zitten.”

Hij plande de onderzoeken tussen zijn werk in Hilversum door. De eerste scan was op een woensdag, de dag waarop hij om de week Met het Oog op Morgen presenteert. De radioloog belde nog diezelfde middag, vlak voordat hij naar Hilversum zou vertrekken: er waren op de scan plekken te zien die er niet goed uitzagen. Er moest materiaal weggehaald worden voor nader onderzoek.

Ja, dat was een enorme schok, zegt hij. Aan zijn collega’s bij de NOS vertelde hij niks. „Ik heb die avond gewoon Het Oog gepresenteerd. Maar ik had wel een heel cryptische opening: dat je soms iets hoort waarvan je je achteraf heel goed kunt herinneren: dát was de dag waarop ik het hoorde. Eigenlijk een heel persoonlijke mededeling. Maar ik denk dat het niemand is opgevallen.”

Hij vertelde het die middag wel aan Petri, zijn vrouw. „Dat vond ik zo ontzettend moeilijk.” Hij was bij zijn herseninfarct al eens door het oog van de naald gekropen. „Ik zei: ik vind het vooral zo erg voor jóú, want jij hebt dit al eens moeten doormaken. Natuurlijk is het erg als je zelf ziek bent. Maar het heeft tegelijk iets overzichtelijks. Als je ernaast staat, dan is het nog veel erger en angstiger.”

Zijn vrouw zag kort daarna dat het Antoni van Leeuwenhoek-ziekenhuis een publiekslezing over prostaatkanker online had gezet. „Die moet je maar ’ns bekijken, zei ze. Dat heb ik gedaan. Er zat zo’n leadertje voor, met allerlei quootjes. Ik dacht nog even, heel vakmatig: best goed gedaan. Maar die leader bracht opeens een paar ledlampjes in mijn brein in beweging. Dat was het moment waarop ik begreep: dit gaat over míj. Dit gaat er dus met mij gebeuren. Toen heb ik voor het eerst gevloekt en gehuild.”

Een zakelijk grafiekje

Trip zat middenin de voorbereidingen van de Provinciale Statenverkiezingen, die hij voor televisie zou presenteren. „We hebben zelfs nog promo’s opgenomen bij het provinciehuis.” Hij ging er tegen beter weten in vanuit dat de dokter ook nog kon zeggen: ‘Mijnheer Trip, er is gelukkig toch niks aan de hand’.

Toen hij hoorde dat het echt mis was, moest onmiddellijk weefsel onderzocht worden. Vervolgens zou er een nieuwe scan komen, waarin naar mogelijke uitzaaiingen gespeurd zou worden. En daarna begon het wachten op de operatie. „Petri en ik hebben heel veel gewandeld samen. Hier in de uiterwaarden en in de bossen. Zeker in de dagen voorafgaand aan die laatste scan.” De angst kneep af en toe zijn keel dicht. „Je denkt er toch aan dat je misschien dood zal gaan. Ik kan me herinneren dat we tijdens het wandelen een hoogbejaard echtpaar tegenkwamen, heel lief hand in hand. Verdómme, dacht ik, zit dat er voor ons nog wel in?”

Tegenwoordig kun je digitaal je dossier inkijken. „Dat is nogal confronterend. Je ziet je onderzoeksresultaten afgebeeld staan in een uiterst zakelijke T-splitsing: linksaf betekent behandelen, rechtsaf is de palliatieve route. Zo’n grafiekje staat vervolgens op je netvlies gebrand.”

En hij begon onwillekeurig om te kijken. „Je hoort weleens over mensen die terminaal zijn en zeggen: ik heb pas drie jaar geleden de liefde van mijn leven gevonden. Dan denk ik altijd: wat hartverscheurend. Want ik heb tenminste het geluk gehad dat ik al heel jong de liefde van mijn leven ben tegengekomen. Aan de ene kant ben je doodverdrietig omdat er misschien een afscheid aankomt, aan de andere kant is er het besef dat je dat wel mee hebt mogen maken.’

Hij ziet Petri en zichzelf nog zitten in de auto, in de parkeergarage van het ziekenhuis na een ernstig gesprek met zijn artsen. „We zaten nog even na te praten voordat we wegreden. Daardoor waren we te laat bij de slagboom. We konden niet meer uitrijden. Dan denk je: jezus, kunnen ze zich dan echt niet voorstellen dat er mensen zijn die even in de auto zitten uit te snotteren voor ze wegrijden? Er ging ook een onheilspellende symboliek uit van die mededeling bij de slagboom: ‘Uw tijd is verstreken’. Dat onverbiddelijke gevoel van: I’m out of luck. Ik heb een paar keer in mijn leven mazzel gehad, maar nu ben ik dus wél de klos. Dat zijn zwarte momenten geweest.”

Bij de allereerste scan ging hij nog heel ontspannen naar het ziekenhuis. Hij vond het eigenlijk wel fijn dat er nu eens grondig gekeken werd of die hogere PSA-waarde nu echt reden was voor zorg. „Totaal niet beseffend hoe het dan ineens allemaal op scherp gesteld wordt.” Bij de tweede scan was er van enige ontspanning geen sprake meer. „Bij die scan kijken ze of er uitzaaiingen zijn. Dan voel je die contrastvloeistof warm worden in je hals. ‘Kunt u nog een keer zo doen?’ wordt er dan gevraagd. ‘Want u bewoog een beetje.’ En ik ondertussen maar denken: o, God, ze hebben natuurlijk iets gezien wat ze beter in beeld willen krijgen.”

De operatie op zichzelf verliep goed. „De uroloog heeft fantastisch werk geleverd.” Alleen het advies van de neuroloog om in de aanloop naar de operatie te stoppen met de bloedverdunners die hij sinds zijn herseninfarct al jarenlang slikte, pakte slecht uit. Kort na de operatie bleek hij zware longembolieën te hebben in beide slagaders naar zijn longen. Opeens lag hij op de intensive care, op precies dezelfde afdeling waar hij achttien jaar geleden lag. Vooral voor zijn vrouw was dat een pijnlijk déjà vu. „Opeens zat ze weer aan mijn bed, op diezelfde IC.”

Het wás natuurlijk ook wrang. Eerst al kanker en dan nog levensbedreigende longembolieën eroverheen. „De operatie was gelukt, maar ik had alsnog kunnen overlijden aan die longen.” Het is achteraf een wonder dat hij er zonder schade uit tevoorschijn is gekomen, beseft Trip. „Mijn lichaam heeft alle bloedpropjes weer keurig opgeruimd.”

Hij staat op en loopt naar de keuken om nieuwe koffie te zetten. Ja, dat had hij twee, drie maanden niet kunnen denken, dat hij weer als herboren door zijn huis zou lopen, zegt hij, bijna bedeesd. En dat-ie gewoon weer zou kunnen wérken. Daarom was die eerste Journaalweek ook zo’n emotionele ontlading. „Petri moest huilen toen ze die eerste uitzending zag. Terwijl ik hier thuis altijd degene ben die bij een zielige film als eerste met natte ogen zit.”

Netflix kijken

Aanvankelijk verliep het herstel erg moeizaam. Doordat er lymfeklieren waren weggehaald, kreeg hij oedeem. „Ik zwol op. Ik zag er echt verschrikkelijk uit.” De pakketbezorger van PostNL heeft hem in die weken in de meest onflatteuze ochtendjassen en flodderbroeken aangetroffen. „Hij was ook een van de eersten die me een kaartje stuurde met ‘Van harte beterschap’.”

Trip probeerde zich krampachtig voor de geest te halen hoe het herstel achttien jaar geleden ook alweer verliep. „Toen zei de dokter: het zal de eerste tijd voelen alsof je zestig hersenschuddingen tegelijk hebt gehad. Terwijl ik weer vrij vlot aan de slag ben gegaan. Bijna roekeloos. Nu duurde het voor m’n gevoel eindeloos. En als ik naar mijn opgezwollen lijf keek, kon ik me niet voorstellen dat ik ooit nog in een strak pak zou passen.” Tegelijk was het goed om de zorg weer een keer als patiënt mee te maken. „Iets waar we zo vaak over berichten. Te zien hoe keihard er gewerkt wordt om jou weer op de been te krijgen.”

Het NOS Journaal volgde hij ondertussen op afstand. „Ik voelde me veel te beroerd om zelfs maar te dénken: stond ik daar maar.” Toen hij weer enigszins begon op te knappen, keek hij vooral Netflix-series. Al ergerde Trip zich mateloos aan hoe er in die series gerookt wordt. „Ik kan heel slecht tegen mensen die roken. Dat is voor mij zo rechtstreeks verbonden met ‘kanker’. Ik verdenk ze er bij Netflix van dat ze gesponsord worden door de tabaksindustrie. Nergens anders wordt zo openlijk gerookt als bij hen.”

Hij had in het voorjaar ook af en toe WhatsApp-contact met Oog-collega Max van Weezel. „Hij stuurde me een aardig berichtje rond de operatie. Dat vond ik eerlijk gezegd ongemakkelijk, omdat ik wist dat Max zoveel zieker was dan ik, zonder enig uitzicht op genezing.” Van Weezel overleed in april aan de gevolgen van alvleesklierkanker. Trip: „Ik besef heel goed dat ik er genadig van afgekomen ben. Dat ging bij die eerste Journaal-week ook vaak door mijn hoofd: ik hoop niet dat mensen er verdrietig van worden. Want ik heb blijkbaar wél geluk gehad. Als je heel ziek bent en niet meer beter wordt, kan dat besef – ‘hij wel en ik niet’ – afschuwelijk zijn. Ik heb veel moeten denken aan al die mensen die géén geluk hebben gehad. Aan topkok John Halvemaan, die kort daarvoor overleed aan prostaatkanker. Hij had de pech dat het te laat werd ontdekt. En ik dacht vooral ook aan de vriend door wie ik mijn PSA in de gaten ben gaan houden, en die inmiddels zelf niet meer leeft. Daar kun je alleen maar heel stil van worden.”

Clichés en levenswijsheden

Bij hemzelf overheerst vooralsnog een gevoel van diepe blijdschap. „Dit voelt als een nieuw hoofdstuk, als een herstart van mijn leven.” En dat terwijl hij over een half jaar zestig wordt. Hij zal het in elk geval uitbundig vieren.

Lees ook: Hij was Dennis, hockeyer en had kanker, dat was alles

„In de tijd van mijn herseninfarct lag ik op mijn verjaardag in coma. De jongens” – hij heeft twee zoons van rond de dertig – „waren toen nog klein. Ze hebben die dag naast mijn bed gestaan, met tekeningen die ze toch maar voor me gemaakt hadden. En nu zag het er rond mijn verjaardag wéér allemaal slecht uit. Dus er is alle reden om het deze keer echt met elkaar te gaan vieren.

Gewoon, omdat ik zo blij ben dat ik nog lééf. Ik weet het: je vervalt bij dit soort dingen al snel in clichés, in levenswijsheden die je allang dacht te kennen. Maar ik kan je zeggen: de meeste klóppen gewoon. Ik wéét dat ik mijn werk niet nodig heb om gelukkig te zijn, dat het geluk in andere dingen zit. Ik ga echt niet beweren dat ziek zijn tot iets goeds leidt. Maar er is een soort onverwoestbare opgewektheid in mij gevaren. En ik denk dat die echt nog een hele tijd zal aanhouden.”