Hoogleraar als uit een roman

In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden.

Wim Klooster (1935-2019), was hoogleraar taalkunde – en hij was decaan, dichter, romancier.

Wim Klooster, 20 jaar oud, bij de ontvangst in 1955 van de Reina Prinsen Geerligsprijs voor zijn romandebuut.
Wim Klooster, 20 jaar oud, bij de ontvangst in 1955 van de Reina Prinsen Geerligsprijs voor zijn romandebuut. Foto’s Joop van Bilsen/Nationaal Archief/Anefo

‘Taalkunde is een geweldig vak”, zei de onlangs overleden hoogleraar taalkunde Wim Klooster. „Je hebt er niets bij nodig. Je gaat zitten in een gemakkelijke stoel en denkt na.” Waarom zeg je wel: ‘Niemand hoeft iets’, maar niet: ‘Iemand hoeft iets’. Dat nadenken deed hij ook hardop tijdens college als er noten werden gekraakt over het gebruik van ‘moeten’ en ‘hoeven’, of over ‘een hout, een ruk en een fluit’. Kloosters liefde voor het taalonderzoek werkte aanstekelijk op tientallen jaargangen studenten.

„Hij was natuurlijk erfelijk belast”, zegt de neerlandicus en criticus Camiel Hamans, die een halve eeuw met hem bevriend was. Hamans doelt op vader W.S.B. Klooster, journalist en dichter, beter bekend onder zijn pseudoniem Willem Brandt, die meer dan twintig dichtbundels publiceerde.

Wim Klooster was enig kind en werd geboren in 1935 in Medan (Sumatra). Als kind verbleef hij in Japanse kampen op Sumatra. In 1950 verhuisde hij naar Nederland.

Klooster schreef een roman in twee delen, Zonder het genadige einde, waarvoor hij als twintigjarige de Reina Prinsen Geerligsprijs kreeg. Hij bevond zich in goed gezelschap: Gerard van het Reve en Remco Campert gingen hem voor.

Na twee jaar rechten stapte Klooster over op Nederlands. Hij werd redacteur van Propria Cures, maar zijn mederedacteuren vonden dat hij te weinig uitvoerde dus dat duurde niet lang. Na een leraarschap op de middelbare school kreeg hij in 1965 een positie aan de Universiteit van Amsterdam bij neerlandistiek en een jaar na zijn promotie in 1971 werd hij hoogleraar.

Wim Klooster (links) in 2011. Foto Eise Eisma

In 1975 verscheen de novelle Het debuut van Hester Albach over een meisje van ‘bijna veertien’ dat een verhouding had met een volwassen buurman. Al gauw werd gefluisterd dat het om Klooster ging en een krant duidde hem aan als een Amsterdamse hoogleraar. Niemand stapte naar de politie, niemand riep om het ontslag van Klooster. Recensenten noemden het een ‘prima debuut’ en een ‘vrijmoedige novelle met jeugdbelevenissen’. De vergelijking met Lolita van Vladimir Nabokov wordt getrokken, maar „de lezer denkt er geen moment aan dat hij bezig is het verslag van avonturen te lezen waar een zwaar maatschappelijk taboe op rust”, aldus NRC Handelsblad.

„Ik was me ervan bewust dat erover gesproken werd”, zegt oud-collega taalkundige Ina Schermer, „maar ik kan me niet herinneren hoe en wanneer ik erover hoorde.” Op het Instituut voor Neerlandistiek eiste niemand zijn aftreden, antwoordt ze desgevraagd.

Het was een turbulente tijd aan de universiteiten. De democratisering in de jaren zeventig, waarbij bijvoorbeeld studenten zichzelf beoordeelden in plaats van tentamen te doen, en ‘de groep’ altijd het laatste woord had, werd gaandeweg teruggedraaid. Volgens Kloosters collega Els Elffers wist hij daar wel raad mee, en was hij vasthoudend bij het tegengaan van de inspraak-excessen.

Binnen de taalkunde was het ook onrustig door concurrerende visies op het vak. Het is volgens Schermer de verdienste van Klooster dat aan de UvA de diverse richtingen naast elkaar konden bestaan. „Klooster was een uitstekende hoogleraar met liefde voor het vak”, zegt Elffers, „maar niet te beroerd om eerstejaarsstudenten te begeleiden. Sommige hoogleraren halen daar hun neus voor op.”

Klooster zat zelf in de hoek van de taalkundige theorie van Noam Chomsky, die hij samen met Albert Kraak in Nederland introduceerde met het leerboek Syntaxis (1968). Het idee daarvan is dat taalvermogen bij iedereen in het hoofd aanwezig is, een grammatica moet dat aangeboren vermogen beschrijven. ‘We zitten wetenschappelijk gezien met de chomskyaanse taalkunde nu ongeveer waar de natuurkunde zich eind zeventiende eeuw bevond’, zei de van nature bescheiden Klooster weleens.

Ondanks zijn grote liefde voor het onderzoek, liet Klooster zich overhalen decaan van de letterenfaculteit te worden, mede omdat hij zich zorgen maakte over bezuinigingen vanuit Den Haag. Later werd, mede door Klooster, de Landelijke Vereniging van Neerlandici (LVVN) opgericht, die de belangen van de beroepsgroep moest behartigen. Het tij is niet gekeerd, want het aantal studenten Nederlands neemt af en de studie verliest terrein. Klooster kon zich daar tot op het laatst druk over maken. Taal is volgens Klooster een „centraal aspect van de menselijke geest”, dus het „aankweken van reflectie op taal (...) is van essentieel belang”. Niet alleen bij studenten Nederlands, maar eigenlijk bij iedereen die Nederlands op school krijgt.

Klooster ging na zijn pensionering in 2000 terug naar de literatuur, met name de poëzie. Al in 1957 publiceerde hij de dichtbundel Vuurwerk en wiskunde en later schreef hij ook in bladen, zoals Tirade. Poëzie was hem thuis met de paplepel ingegoten en hij was degene die bij Nederlands het vak taalkundige tekstanalyse introduceerde. Daar werden poëzieregels van dichters als Leopold, Vasalis en Herzberg uitgeplozen.

Klooster is altijd poëzie blijven schrijven én bestuderen. „Bij zijn Rotary Club Amsterdam-Sloterdijk hield hij jarenlang elke week voordrachten over gedichten”, vertelt Hamans. Ze zijn gebundeld als Poëzie van baardige & baardeloze barden.

Klooster overleed op 15 september aan kanker na een betrekkelijk kort ziekbed. Vlak voor zijn overlijden is een bundeltje samengesteld van zijn werk: Een kwestie van tijd. Gedichten 1953-2018.

Correctie 4 oktober 2019: In een eerdere versie van dit artikel werd Willem Brandt Simon Brandt genoemd. Dat is in deze versie aangepast.