Opinie

Hoe mijn moeder me leerde lezen

Michel Krielaars

Ik waak ’s nachts over mijn 95-jarige moeder, wier levenseinde nadert. Ze hallucineert en denkt dat er tien katten op haar bed dansen. Ook wil ze haar mooie gebit en de zwarte haren van haar jeugd terug. „Okidoki”, zegt ze keer op keer. In een helder moment vraagt ze of ze dood gaat. „Misschien”, lieg ik. Daarna wil ze weten hoe oud ze ook al weer is. „Vijfennegentig, mammie”, verklap ik. „De hoogste tijd, lieve jongen”, zegt ze dan. En: „Pech gehad.” Ze trekt mijn hoofd naar zich toe om het te strelen en te kussen, alsof ik altijd haar kleine jongen ben gebleven.

Als ze eenmaal in slaap is, zoek ik vertroosting in haar boekenkast en lees de gerangschikte titels – mijn moeder is niet voor niets de dochter van een Amsterdamse boekhandelaar.

Ineens besef ik dat ik de basis van mijn literaire voorkeuren en interesses voor een belangrijk deel aan haar dank. Ik zie het verzameld werk van A. den Doolaard, die mijn liefde voor de Balkan wekte. Slauerhoff voedde mijn verlangen om het soms benauwende Nederland te ontvluchten, wat mij tijdelijk gelukt is en haar nooit.

Charles Dickens en Maxim Gorki waren haar lievelingsauteurs, vooral omdat ze over gewone mensen en hun zorgen schreven. Toen ze me zo’n tien jaar geleden in Moskou opzocht, concludeerde ze: „Ik waan me hier honderd jaar terug in de tijd. Het is hier net een roman van Dickens.”

Hetzelfde gold voor Isaac Bashevis Singer en Bernard Malamud, die haar van de Joodse sjtetls in Oost-Europa naar het Amerika van de arme Joodse immigranten brachten.

En dan zijn er nog Fontane, Couperus en Tolstoj, de chroniqueurs van de hogere kringen. „Als je maar nooit vergeet dat de tsaar en tsarina ook gewoon op de wc zaten, met hun onderbroek op de knieën, net zoals jij en ik”, zei ze als ze me in mijn kindertijd Jules Vernes Michael Strogoff, de koerier van de tsaar voorlas.

Op Couperus, Nescio, Ida Boudier-Bakker en Marga Minco na, las ze weinig Nederlandse literatuur, die ze maar wat saai vond. Haar grote heldin was Annie M.G. Schmidt, al was het maar omdat die net als zijzelf een kind had van een getrouwde man en de draak stak met de schijnheilige Hollandse burgermansmoraal.

Maar het liefst las mijn moeder boeken over indianen, omdat ze er in haar eigen jeugd zelf een had willen zijn. En dan was er ook nog Pasternaks Dokter Zjivago, waarin een man van twee vrouwen tegelijk houdt, wat haar weer aan haar eigen liefdesleven deed denken. Dan weer was ze Lara, dan weer Tonja. Van dat epos over de Russische revolutie en burgeroorlog kon ze keer op keer de filmversie zien, maar dat had vooral te maken met acteur Omar Sharif, op wie ze, als een bakvis, verliefd was.

Het lezen heeft mijn moeder in bepaalde opzichten gered. Al was het maar omdat het haar in staat stelde het soms moeizame leven van een alleenstaande moeder te ontvluchten en in gedachten menig avontuur te beleven dat ze anders nooit had kunnen meemaken.

Van die avonturen genoot ze nog het meest als ze ze aan mij voorlas, wat ze dan ook tot mijn twaalfde jaar heeft gedaan. Haar fantasie sloeg dan op hol en ze verzon er de ene dramatische gebeurtenis na de andere bij. Ook wat dat betreft lijk ik op haar. Okidoki, mammie, okidoki.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.