Opinie

De sirene

Ellen Deckwitz

Onlangs hadden we weer eens familieweekend in de bossen en terwijl ik ’s avonds op de veranda van de kindvriendelijke vakantieboerderij met mijn moeder, broer en neef Fer geen sigaret aan het roken was, kwam er een loeiende ziekenwagen voorbijgescheurd. Mijn moeder zat meteen tegen het plafond, zoals altijd wanneer ze een sirene hoort. Dat heeft ze al sinds haar zestiende, toen haar vader opeens overleed. Vlak voor ze het nieuws vernam dat hij er niet meer was, hoorde ze een ambulance. Sindsdien denkt ze bij iedere sirene dat een van haar geliefden dood is.

„Ma-ham”, zei mijn broer, „we staan hier naast je en pa is binnen, niemand van ons ligt in die wagen.”

„Die schrik is geen keuze hè”, zei mijn moeder een beetje geïrriteerd, „ik heb gewoon altijd het gevoel dat zo’n ziekenwagen de dood aankondigt.”

„Echt?”, zei Fer, die naast neef ook nog eens huisarts is, „zo heb ik echt nog nooit tegen ambulances aangekeken. Waar denk je in hemelsnaam waar die dingen voor zijn bedoeld?”

„Nou gewoon, mensen snel naar het hospitaal brengen”, mompelde mijn moeder.

„Nee joh! Het zijn mini-ziekenhuisjes! De genezing begint daar al, je wordt meteen gestabiliseerd, ze hebben een keur aan infusen, sluiten je aan op fysiologisch zout waardoor je veel sneller geneesmiddelen gaat opnemen. In jouw tijd was een ziekenwagen inderdaad een EHBO-trommel op wieltjes maar er is sindsdien echt heel wat veranderd hoor!”

„Dus eigenlijk moet ik in plaats van angstig eerder blij zijn als een van mijn geliefden in een ziekenwagen ligt”, zei mijn moeder.

‘Natuurlijk”, juichte mijn broer, „je moet juist hopen dat we in die ambulance liggen! Dat betekent dat we gered worden!”

„Nou dat ook weer niet meteen”, zei neef Fer haastig, „maar wel dat het de goede kant opgaat. Een ziekenwagen is anno 2019 een mobiel behandelcentrum.”

„Eigenlijk net zoals dat gedicht Afsluitdijk, van Vasalis”, mijmerde ik, „waarin een bus als een woonkamer door de nacht rijdt, is een ziekenwagen een verpleegpost op weg naar het levensreddende tl-licht van de operatiekamer.”

Mijn moeders ogen sjeesden op en neer om het allemaal te bevatten. In de verte hoorden we een tweede sirene (we bevonden ons óf vlakbij een ziekenhuis óf in een gebied dat om onbekende redenen niet zo goed voor de gezondheid was). Dit keer schrok mijn moeder echter niet.

„Dus daar wordt misschien een leven gered”, zei ze langzaam. Wij allemaal driftig knikken.

„Dus daar gaat een verhaal met een góéde afloop”, zei ze zacht. „Als dit zo doorgaat is er straks helemaal niets meer om bang voor te zijn.”

In het donker galmde een derde sirene. Wolken kraaien stoven op.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

Lees ook een interview met Ellen Deckwitz: ‘Ik stam af van een overlever’