Recensie

Recensie Muziek

Cellist Victor Julien-Laferrière is muzikale rasverteller

De jonge Franse cellist Victor Julien-Laferrière maakte woensdag zijn debuut bij het Koninklijk Concertgebouworkest. In de koffer Dutilleuxs celloconcert Tout un monde lointain…

Cellist Victor Julien-Laferriere
Cellist Victor Julien-Laferriere Foto STEPHANIE LECOCQ

Hij stamt uit een uitgesproken muzikantenfamilie, studeerde cello bij de legendarisch Heinrich Schiff en won op zijn 27e de prestigieuze Koningin Elisabethwedstrijd. Dat is in vogelvlucht de carrière van de jonge Franse cellist Victor Julien-Laferrière (1990).

Vorig jaar droomde hij in deze krant nog hardop van „solo-optredens bij steeds betere orkesten”. Die wens werd woensdag bewaarheid. Onder leiding van Valery Gergiev maakte Julien-Laferrière zijn debuut bij het Koninklijk Concertgebouworkest (RCO). In de koffer Henri Dutilleuxs celloconcert Tout un monde lointain…, vernoemd naar een regel uit Baudelaires revolutionaire dichtbundel Les fleurs du mal.

Lees ook: ‘Ik wil spelen met een gepassioneerde gretigheid’

De „verre werelden” die Dutilleux in het vijfdelige werk in klank oproept, zijn van de geheimzinnige, droomachtige soort. Geen Thomas Cook-bestemming. Neem het eerste deel, ‘Énigme’, waarin een bedachtzame cellomelodie opdoemt uit ritselend slagwerk en nevelige strijkersakkoorden.

Met een priemende tandenstoker als dirigeerstokje ontlokte Gergiev een mooie heiige strijkersklank aan het RCO, terwijl Julien-Laferrière zich met ronkende dubbelgrepen, knallende pizzicati en ijle flageoletten een muzikale rasverteller betoonde.

Jammer dat zijn toon in het tweede deel wat aarzelend klonk in de hoge registers, al wist hij zich in het verdere verloop van het concerto knap te revancheren. Prachtig: hoe Julien-Laferrière de brede lijnen in het vierde deel voorzag van een volle cantabile-klank boven magische mengsels van harp, marimba en gong.

Dat Gergiev een specialist is in Russisch repertoire, bewees hij met een dwingende uitvoering van Sjostakovitsj’ monsterlijk bezette Vierde symfonie – klinkende kroniek van een totalitair schrikregime. Met vaste hand loodste de dirigent het RCO door de mozaïek-achtig opgezette partituur, terwijl hij toch vol inzette op drama en contrastwerking.

Fel striemende fluiten en violen in de openingsmaten. Een ziedend opgepookte strijkersfuga. Knarsende koperdissonanten in de finale. Maar ook: knappe soli in kaal geïnstrumenteerde middensecties, een spookachtig tikkend klokwerkje in het tweede deel, en droefgeestig knorrende fagotten in de treurmars van het derde.