Opinie

Vliegende schotels, vliegende eieren

Joyce Roodnat Op reis in Istrië stuit Joyce Roodnat op een beeldenpark. En maakt kennis met het indrukwekkende werk van een kunstenaar van wie ze nog nooit gehoord had.

Joyce Roodnat

Van Dusan Dzamonja had ik nooit gehoord. In de jaren 60 was hij een wereldberoemd beeldhouwer, hij gold als een van de groten van de West-Europese kunst. Nu is hij vergeten. Nu trap ik op de rem op een kustweg bij Vrsar op het Kroatische schiereiland Istrië, omdat een verkeersbord naar een beeldenpark wijst. Even kijken, je weet maar nooit.

Ik kom terecht in een glooiende vlakte, zie het werk van deze Dzamonja (1928-2009) en ben verkocht. Achtentwintig sculpturen mobiliseren de natuur, met bollen van in elkaar gelaste kettingen, vliegende schotels van polyester, reusachtige golvende silhouetten van witte steen. Wat een kracht had die man, in zijn hoofd en in zijn handen. Er is hier niemand, maar wat geeft het? Deze beelden zijn er, dat is genoeg.

Aan de oostkust van Istrië stop ik aan de provinciale weg naar Opatija voor het ‘Park Skulptura Dubrova’. Even kijken maar weer. En weer is het indrukwekkend, met 95 sterke beelden, verspreid over een uitgestrekt gebied. Ze zijn allemaal wit want allemaal gehouwen uit kalksteen uit locale groeves. Kunstenaars worden er, nog altijd, voor uitgenodigd. Ook Dusan Dzamonja is erbij. Nergens zijn hier naambordjes, maar zijn werk herken ik.

Sculptuur van Dusšan Dzamonja uit 1970, in zijn park in Istrië. Foto Joyce Roodnat

De beelden meten zich met de ruimte, het struikgewas, een stel zeedennen. Al die sculpturen zijn daarom groot, maar niet protserig, niet spierballenrollend – grote beelden hebben dat nogal eens, deze dus niet. Niet dat ze bescheiden doen, maar ze kiezen voor iets anders. Voor het licht en de lucht. Voor een onzegbaar gevoel. Voor een raadsel. Ik zie een opstijgend ei, het komt in vier stappen tevoorschijn uit de steen en staat op het punt het luchtruim te kiezen. Loodzwaar en toch vederlicht. Ik zie wolkjes. Nu ja, het zijn op staakjes geprikte keitjes op een blok van een kubieke meter. Aha, dan is de hemel vierkant. Een verbrokkelde dubbelpiramide vleit zich tegen de stam van een olijfboom. De kruin spreidt zich erover uit, boom en beeld worden er mooier van.

Ik snap veel niet van beeldhouwkunst, ik heb er weinig tekst bij. Beelden zijn moeilijk. Er even langs lopen en genieten kan bij een schilderij, maar niet erg bij een sculptuur. Dat blijft al snel een koude klomp.

Beelden zien, betekent iets herkennen waar geen woorden voor zijn. Die platte auto van kalksteen, die wordt waar je bij staat iets anders, ook al denk je meteen: ‘auto’, temeer omdat je erachter auto’s ziet rijden. Ja, hij heeft een auto-silhouet, maar dat is dan ook alles. Wat is hij dan? In die vraag, daar zit zijn geheim, maar zeggen wat dat is, gaat niet. Hoeft niet.

Beelden bekijken is dingen bedenken. De contactsleutel moet om, maar niemand die het voor je doet. Wie kijkt, moet zelf gaan zoemen.