Omstreden veldwerker op zoek naar de rauwe werkelijkheid

Napoleon Chagnon (1938-2019), antropoloog Het leven van inheemse volken is bruut en gewelddadig. Die opvatting werd Napoleon Chagnon door collega-antropologen niet in dank afgenomen.

Foto Caitlin Machak

Hij deed zijn voornaam eer aan. Als een ware veldheer trok Napoleon Chagnon niet alleen door het Amazone-woud maar ook, met veel wapengekletter, door de Amerikaanse antropologie. Zijn veldwerk onder de inheemse Yanomami in het grensgebied van Brazilië en Venezuela maakte hem eind jaren zestig in een klap beroemd, maar ook voor de rest van zijn leven omstreden.

Chagnons portret van de Yanomami als een uitzonderlijk gewelddadig volk leidde tot een langdurige academische controverse en een verhit internationaal schandaal. Chagnon gaf de schuld van de ophef aan marxisten en postmodernisten die volgens hem de toon zetten in zijn vak.

Chagnon, die op 21 september op 81-jarige leeftijd overleed in zijn woonplaats in Michigan, was zijn leven lang een kleurrijke en omstreden dwarsligger. „Een mooie, weerbarstige kerel die niet terugdeinsde voor tegenstand”, aldus zijn Nederlandse uitgever Mai Spijkers.

Katholieke missionarissen

Als Napoleon Alphonseau Chagnon werd hij in 1938 geboren in Port Austin (Michigan), zoon van een begrafenisondernemer en de tweede van twaalf kinderen. Een opleiding natuurkunde brak hij na een jaar af voor de studie culturele antropologie. In 1964 vertrok hij naar het Amazonegebied, waar hij aanvankelijk onderzoek deed naar verwantschapssystemen onder inheemse groepen. Zijn grote doorbraak kwam vier jaar later met een etnografie van de Yanomami (of Yanomamö), een volk dat behalve met katholieke missionarissen nauwelijks contact had met de moderne wereld.

Zijn eerste contact met de indianen beschreef hij in stoere-jongensproza dat doet denken aan dat van Victoriaanse ontdekkingsreizigers: „Ik zag een dozijn naakte, zwetende, afzichtelijke mannen ons aanstaren langs hun pijlen. Ze hadden grote plukken groene tabak tussen hun tanden waardoor ze er nog afzichtelijker uitzagen. Slierten groen slijm dropen uit hun neusgaten.” De mannen hadden net ebene gebruikt, een hallucinogeen plantenextract.

Die narratieve stijl verklaart mede het succes van zijn Yanomamö (1968), dat een antropologische bestseller werd en een standaardwerkje voor generaties studenten. Net als The Ax Fight, een etnografische film over een ritueel gevecht tussen Yanomami-groepen.

Het boek maakte Chagnon ook omstreden. Chagnon werd sterk beïnvloed door de genetica en sociobiologie die in de jaren zestig opkwamen, vakgebieden die veel cultureel antropologen zagen als een bedreiging van hun werk en soms als een nieuwe vorm van racisme. Met zijn typering van de Yanomami als woest volk (the fierce people) zette Chagnon zich af tegen het beeld van inheemse volken als nobele wilden, dat volgens hem in de antropologie werd gepromoot door linkse wereldverbeteraars. In plaats van idyllisch was het leven van inheemse volken eerder hobbesiaans: bruut, gewelddadig en vaak kort. In een interview met NRC Handelsblad zei hij in 1993: „Het romantische beeld van de nobele wilde die vreedzaam en in harmonie met de natuur zijn weg gaat, is pas ontstaan nadat de blanken de vechtlust eruit hadden geslagen. Moeten we daarop wachten voor we ons om de Yanomamö bekommeren?”

De Yanomami voerden geen oorlog om voedsel en jachtgebieden, maar om vrouwen en nageslacht

Het inheemse geweld diende volgens hem een evolutionair doel: de Yanomami voerden geen oorlog om voedsel en jachtgebieden, zoals materialistische of marxistische antropologen meenden, maar om vrouwen en nageslacht. In een geruchtmakend artikel in Science legde Chagnon in 1988 een verband tussen agressie en reproductie. Yanomami-mannen die een tegenstander hadden gedood, hadden meer vrouwen en kinderen dan andere mannen, becijferde hij. Moraal: agressie levert evolutionair voordeel op.

Daarna leefde Chagnon vooral zelf op voet van oorlog met zijn omgeving; veel van zijn vakgenoten hekelden zijn evolutionaire benadering en betwistten zijn data en berekeningen. Ook bij zijn eerdere veldwerk in de jaren zestig werden vragen gesteld. Chagnon zou het beeld van de Yanomami vooral naar zijn eigen sabelzwaaiende machismo hebben gekneed.

De controverse barstte door de muren van de academie met de publicatie van het lijvige Darkness in El Dorado (2000) van Patrick Tierney, een sensationele aanval op Chagnon en andere ‘neokoloniale’ Amazone-antropologen. Tierney, een activist voor inheemse rechten, presenteerde een lange aanklacht van professioneel wangedrag door Chagnon. Hij had regels voor informed consent (instemming met veldwerk) met voeten getreden, was kongsi’s aangegaan met dubieuze politici en ondernemers en – de zwaarste aantijging – zou samen met de geneticus James Neel een mazelenepidemie onder de Yanomami hebben verergerd of zelfs veroorzaakt, mogelijk om ‘eugenetische’ theorieën te testen. Opponenten van Chagnon trokken vergelijkingen met Joseph Conrads Heart of Darkness en zelfs met de nazi-arts Mengele.

De rel trok wereldwijde aandacht. Met dank aan popsterren als Sting waren de Yanomami inmiddels poster people geworden, symbolen van het bedreigde regenwoud. Maar Tierneys spectaculaire aantijgingen bleken vooral ingestoken door Chagnons vijanden – onder meer de katholieke missionarissen met wie hij het aan de stok had gekregen – en mondden uit in een bizarre complottheorie. Van de beschuldiging over de epidemie bleef niets over. Toch was de rel voor de Amerikaanse Vereniging van Antropologen voldoende reden om een onderzoek in te stellen naar Chagnons handelen en naar de gedragsregels voor veldwerk bij bedreigde inheemse groepen. Twee jaar later luidde het oordeel dat Chagnon te lichtzinnig met de antropologische beroepsethiek was omgesprongen en dat zijn eenzijdige portret van het Amazone-volk schadelijk voor hen was geweest. De toegang tot ‘zijn’ Yanomami werd hem door de lokale autoriteiten ontzegd. In 1999 verliet hij de universiteit van Californië in Santa Barbara en vestigde hij zich in Michigan met zijn vrouw Carlene en hond, Cody.

Subtieler dan gedacht

Ook na zijn pensioen bleef Chagnon karakteristiek strijdbaar. Hij knokte om eerherstel met steun van sympathisanten als de sociobioloog E.O. Wilson en de bioloog Richard Dawkins. Met enig succes, in 2012 werd hij opgenomen in de prestigieuze Nationale Academie van Wetenschappen. Tot zijn voldoening trok de Amerikaanse Vereniging van Antropologen drie jaar later alsnog haar handen af van het voor hem kritische commissierapport, zonder zich over de conclusies ervan uit te spreken. Onderzoek door derden had nog minder heel gelaten van Tierneys beschuldigingen. Chagnon zag het als een rehabilitatie. Zijn guerrilla tegen ‘marxisten’ in de antropologie zette hij voort in zijn memoires, Noble Savages (2014).

Kort na Chagnons dood betuigde een recensent van Tierneys boek spijt over zijn positieve waardering ervan; Chagnons opvattingen over geweld waren bij nader inzien subtieler gebleken dan gedacht. En al had hij de krijgslust van de Yanomami overdreven, ook uit ander onderzoek bleek dat onder premoderne jagers en verzamelaars oorlog geen onbekend verschijnsel was.

Yanomamö geldt nog steeds als een antropologische klassieker. Al zet dit type veldwerk – het beschrijven van een inheemse cultuur in splendid isolation – in de antropologie allang niet meer de toon. Chagnon wilde vooral een noeste veldwerker zijn, de he-man onder de etnografen. Met empathie én een open oog voor de soms rauwe werkelijkheid van inheemse samenlevingen, en vooral een gloeiende hekel aan academici die hen romantiseren. Maar in zijn drift om af te rekenen met het cliché van de ‘nobele wilde’, creëerde hij wel een eigen karikatuur: de permanent oorlogszuchtige.

Zelf was Napoleon Chagnon het zeker: altijd strijdlustig.

Correctie (2 oktober 2019): In een eerdere versie van dit artikel werd de titel van het boek van Napoleon Chagnon ‘Yanomami’ genoemd. Dit moest ‘Yanomamö’ zijn. Hierboven is dit aangepast.