De oorlog tegen drugs begon in 1968

Ewoud Sanders

Woordhoek

Het zou mij niet verbazen als we de volgende woorden en uitdrukkingen de komende tijd in toenemende frequentie zullen horen en lezen: georganiseerde misdaad, drugs, war on drugs en witwassen. Hier de vraag: sinds wanneer kennen we ze en waar komen ze oorspronkelijk vandaan?

Georganiseerde misdaad lijkt voor het eerst in het Nederlands te zijn gebruikt door het katholieke Kamerlid Jan Harte van Tecklenburg (1853-1937). In 1892 pleitte hij voor een betere politiemacht om de „kosmopolitisch georganiseerde misdaad” beter te kunnen aanpakken. Wat hij precies met deze trits bedoelde weet ik niet, maar in de decennia daarna werd georganiseerde misdaad herhaaldelijk gebruikt in berichten over anarchisten, bolsjewieken en communisten. Een voorbeeld uit een katholiek dagblad uit 1906: „Het anarchisme is meer dan misdaad, het is een systeem, een philosophische, een georganiseerde misdaad”.

Vanaf de jaren twintig krijgt georganiseerde misdaad gezelschap van georganiseerde criminaliteit. Eerst in berichten over Italië: „Het koninkrijk Napels is het land geworden der georganiseerde criminaliteit: Camorra genoemd” (1921). En vanaf het begin van de jaren dertig vooral in artikelen over de VS. Georganiseerde criminaliteit lijkt me dan ook een leenvertaling van het Engelse organized crime. Je vindt deze vertaling aanvankelijk vooral in berichten over bendes in Chicago (Al Capone) en New York.

Drugs is eveneens een Engels leenwoord. Voor de Tweede Wereldoorlog is het slechts sporadisch in het Nederlands te vinden („allerlei verfoeilijke drugs als morphine, cocaïne, opium”, 1919); na circa 1968 is het niet meer weg te denken. Ook het drugsgebruik nam toen hand over hand toe.

Omdat dit ook het geval was in het Amerikaanse leger (10 tot 15 procent van de troepen was aan heroïne verslaafd), begon president Johnson in 1968 een war on drugs die door zijn opvolger Nixon werd voortgezet. „Nixon heeft in navolging van Johnson de heilige drug-oorlog verklaard door zware straffen op het gebruik van hasjiesj goed te praten en door grootscheepse acties tegen de mensen die deze stof uit Mexico de Verenigde Staten binnensmokkelen”, meldde de Volkskrant eind 1969.

Het leek de krant onwaarschijnlijk dat dit de aanvoer zou stoppen. „Wanneer de zon maar even wil schijnen blijkt het namelijk mogelijk om zelfs in Nederland op vrij grote schaal hennep te kweken, zodat er weinig fantasie voor nodig is om te beseffen wat er op de ontoegankelijke Mexicaanse berghellingen gebeurt”.

Kranten zouden nog jaren drug-oorlog blijven schrijven en vanaf 1976 drugsoorlog. War on drugs maakte in het Nederlands pas opgang vanaf 1986. De Dikke van Dale voegde het in 2018 toe.

Tot slot witwassen. In de negentiende eeuw zei men: je kunt een ouden moor niet witwasschen voor ‘je kunt het karakter van een ouder persoon niet veranderen’. Daarnaast werd witwassen gebruikt voor ‘door wassen wit maken’ en ‘iemands verkeerde daden verdedigen of goedpraten’.

In een anekdote uit 1855 lezen we over een boer die „zwart geld blank laat maken”; een scheikundige helpt hem om pikzwart geworden zilveren munten weer glimmend te maken. Maar in de huidige betekenis komt ook witwassen uit het Engels: het is de vertaling van money laundering, een woordcombinatie die in 1974 voor het eerst is opgetekend. Dat banken op grote schaal zwart geld en drugsgeld witwassen, valt sinds 1986 in Nederlandse kranten te lezen.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders