Opinie

Marianne Thieme bewees bestaansrecht Partij voor de Dieren

vertrekkende leider

Commentaar

De reacties op het verrassende vertrek van Marianne Thieme als fractievoorzitter in de Tweede Kamer van de Partij voor de Dieren zijn tekenend voor de wijze waarop deze aanvankelijk vooral als bizar en kolderiek dan wel als „sekte” bestempelde beweging gaandeweg is geaccepteerd. „Respect” en „jammer dat zij weggaat” waren dit weekeinde de meest gehoorde woorden van collega-politici.

Zoals premier Mark Rutte (VVD). Volgens hem heeft Thieme bewezen dat „je op overtuiging en inhoud een politieke partij kunt bouwen”. Dat is toch een wat andere kwalificatie dan die van zijn partijgenoot Neelie Kroes in haar tijd als Europees Commissaris. Die zei nadat Thieme in 2006 met twee zetels de Kamer was ingekomen, dat aan het buitenland niet viel uit te leggen dat Nederland een partij had die uitsluitend voor dieren opkwam. Inmiddels kennen ook andere Europese landen ‘dierenpartijen’.

Dat er in 2006 in de Tweede Kamer plaats was voor de Partij voor de Dieren is allereerst een gevolg van het zeer laagdrempelige Nederlandse kiessysteem waarbij destijds ruim 65.000 stemmen al voldoende waren voor een Kamerzetel. Het was het welhaast compromisloos opkomen voor dierenwelzijn dat de partij bij een deel van het electoraat populair maakte. Maar een stem op de Partij voor de Dieren was en is bij andere delen van het electoraat ook een bewuste anti-stem: tegen de Haagse politici.

De verdienste van Marianne Thieme is zonder meer dat zij bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2017 de partij heeft weten uit te bouwen tot een vijfkoppige fractie. Ook is de partij vertegenwoordigd in de Eerste Kamer en in het Europees Parlement. De Partij voor de Dieren is dus niet dezelfde lijdensweg gegaan als zoveel politieke nieuwkomers die door onderlinge verdeeldheid en gebrek aan ervaring net zo snel verdwenen als zij waren gekomen. Blijkbaar is er op het grote Nederlandse politieke speelveld ruimte voor het eigenzinnige geluid van de Partij voor de Dieren.

Of dat zo blijft, is de vraag. In juli splitste het Kamerlid Femke Merel van Kooten zich af. Tot „haar spijt” had zij gezien dat er eerder sprake is van „een versmalling dan een verbreding in de onderwerpen die Partij voor de Dieren tot haar ‘core business’ rekent”.

Eerder had de nieuwe partijvoorzitter Sebastiaan Wolswinkel al gezegd dat de partij met „nieuwe ideeën” moest komen en zich „volwassener” diende op te stellen. Met het vertrek van Thieme die volgens het opgestapte Kamerlid Van Kooten de partij „met ijzeren hand” regeerde kan het onderaardse gerommel in de partij weleens tot een uitbarsting komen.

Of dit gerommel ook de achtergrond is van het vertrek van Thieme is onduidelijk. Voor iemand die bij de verkiezingen 261.658 stemmen op haar naam wist te vergaren is de redengeving voor haar voortijdig afzwaaien summier. Anders dan dat het een goed moment is om het stokje over te geven komt zij niet.

Jammer dat Thieme, die vaak zo nadrukkelijk afstand nam van de Haagse politieke cultuur, zich nu die cultuur eigen maakt door net als zoveel andere Kamerleden haar door de kiezers gegeven mandaat niet af te maken. Ze had er ook voor kunnen kiezen alleen het leiderschap over te dragen, maar wel in de Kamer te blijven. Temeer daar zij de leden van de partij heeft laten weten zich buiten het parlement „volop” te blijven inzetten voor de gezamenlijke idealen. Haar afscheid had zuiverder gekund.