Eenzame mensen zijn niet per se fijne mensen

Zap De documentaire ‘Goede Buren’ was het klapstuk van de eenzamenavond op NPO2. „Ik ben benieuwd wie er aan mijn kist komt staan…”

Tilly van der Kleij met vrijwilliger Wilma in 'Goede buren'.
Tilly van der Kleij met vrijwilliger Wilma in 'Goede buren'. Foto Human

Het is Week tegen de eenzaamheid en NPO2 leek omgetoverd tot eenzamenzender. Zo was er de gepensioneerde pastor in Typisch Groesbeek die dagelijks na het scheren een groene map pakt: „Dan neem ik de lijst en kijk ik wie er jarig is.” De bejaarde jarigen krijgen een belletje. In Wie kent mij nog? hoorden we de oude Piet Edelman, bang sinds het bombardement op Rotterdam, zijn nood klagen.

Klapstuk

Maar het klapstuk van de eenzaamheidsavond was Goede buren (Human). In die documentaire zagen we hoe de kordate Rotterdamse zestigers Ada en Wilma instructies ontvingen nadat ze zich als vrijwilliger hadden gemeld om eenzame ouderen in IJsselmonde bij te staan. Prachtig duo: Ada loopt altijd voorop, Wilma bromt er wat achteraan met een doorrookte stem uit duizenden.

Vraag vooral door, krijgen ze te horen. Een eenzame noemt zichzelf van alles, maar niet snel eenzaam. Neem de 85-jarige Tilly van der Kleij, die de vraag net iets te luid beantwoordt met: „Nee, want ik heb dat hondje!” Ze wil Sandy te zijner tijd bij haar in de kist. Ada’s tegenwerping dat het niet de bedoeling is dat ze tegelijkertijd doodgaan, maakt geen indruk.

Ook de tachtiger Jan van Tol noemt zichzelf niet eenzaam als hij puffend en piepend zijn rollator om de hondenmand duwt. Maar als hij de vraag krijgt hoe vaak hij buiten komt gedachteloos beantwoordt met „Per jaar?” weten we wel hoe laat het is. Er wordt geregeld dat hij naar een muziekmiddag voor ouderen kan, maar daar wordt hij tot zijn grote schrik voor de hele zaal aangeduid als „de man die heel lang niet buiten is geweest”.

Blijven staan, kreng

Alles aan Jan is aandoenlijk: zijn moeizame gescharrel bij de wasdroger en bij het aanrecht („blijven staan, kreng!” tegen een wankelend bord), zijn lieve grapjes tegen alle vrouwen die hem helpen en zijn gewoonte om alles wat in zijn leven ontbreekt te overstemmen met luide muziek.

Tilly van der Kleij is minder aaibaar, iets wat Wilma meteen al had gezien: „Ik zou het geen kwartier met haar volhouden.” Ada zet echter door, ook als „Kleitje” lastig doet. De vrouw weigert categorisch over mogelijke problemen te praten. „Ik wil niet oneerbiedig zijn”, zegt Ada later. „Maar het is net mijn moeder, hoor.” Waarmee ze de kern van de zaak raakt. Want eenzame mensen zijn niet per se fijne mensen.

Als de vrijwilligers eenmaal vertrokken zijn, maar de camera van regisseur Stella van Voorst van Beest nog even bij Tilly blijft, volgt een reeks hartverscheurende scènes. Het begint nog eenvoudig met het praten tegen oude foto’s en de hond. Bij het doorbladeren van een fotoalbum zegt Tilly hoe haar dochter ooit haar baby-broertje met een speld in de bil stak. Het blijkt het begin van een tragische monoloog. De hele bruiloft van haar dochter had ze betaald, maar die dochter had tegen haar gezegd dat ze niet zomaar onverwacht voor de deur moest staan. Tilly’s man was zó kwaad. Hij had ze opgewacht en ze de hele gang laten zien. „Hou nou op”, had Tilly gezegd. „Je slaat ze nog dood.”

Aan mijn kist

Dat was veertig jaar geleden. Ze heeft haar dochter nooit meer gezien. Haar zoon komt zelden, hij wil geen gedoe met zijn vrouw. „Je loopt ze overal te zoeken, maar je vindt ze niet.” (Ik vroeg me even af of die kinderen zouden kijken.) „Ik ben benieuwd wie er aan mijn kist komt staan…” vervolgt Tilly. Dan fel, op het triomfantelijke af: „Niemand!”

Even later zet Tilly muziek op, heft ze haar handen tot borsthoogte alsof die daar vastgehouden worden. Ze sluit haar ogen. „Zo is het net of ik mijn man heb.” Haar kleine voeten maken verrassend snelle pasjes over het woonkamertapijt – alleen, maar even niet eenzaam.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.