Alice Cooper in Wenen, op 19 september 2019, tijdens de ‘The Ol’ Black Eyes Is Back’ toer, woensdag 2 oktober in Tilburg.

GEORG HOCHMUTH

Alice Cooper: ‘Ik hoef niet de hele tijd Alice Cooper te zijn’

Interview Alice Cooper De Amerikaanse shock rocker, 71, woensdag in Tilburg, vertelt over uithoudingsvermogen, Mick Jagger, die ene kip, Jim Morrison, zijn rock en make-up en de dood. „In die tijd kon je een publiek nog shockeren.”

Onder oudere jongeren is het een veelgehoorde reactie: Alice Cooper, treedt die nog op, leeft die nog? „Ik voel me beter dan ooit”, zegt de in 1948 als Vincent Damon Furnier geboren ‘shock rocker’ aan de telefoon vanuit Zürich. Daar staat hij aan de vooravond van de Europese reeks van 27 concerten die hem woensdag 2 oktober naar Nederland brengt, naar poppodium 013 in Tilburg.

De rockster die met nummers als Elected en School’s Out zijn hoogtepunt kende in de jaren 70 is alleen op het podium gestorven. Al meer dan duizend keer; aan de galg, onder de guillotine en op de elektrische stoel die bovenop de auto vastgebonden was waarmee zijn band – met vrouwennaam, in vrouwenkleren, met make-up en de langste haren in de muziekindustrie – eind jaren zestig door de Verenigde Staten trok. Al een halve eeuw stapt Alice Cooper na elke show herrezen van het podium en ontdoet hij zich van z’n zwarte schmink, „een soort vettige verf die er makkelijk op én af gaat”, om weer snel op weg naar de volgende stad te gaan.

Toen hij in september 1969 in Toronto een levende kip in het publiek gooide en die in stukken terug op het podium zag komen, was de reputatie van Alice Cooper als shock rocker definitief gevestigd.

Concertgebouw

Op het hoogtepunt van zijn carrière, in 1974, nam de in Detroit geboren rockster de naam van zijn band aan, om kort daarna op solotour te gaan. Tussen zijn eerste concert in Nederland, in 1971 in de nacht van 29 op 30 oktober („bizar rocktheater”, kopte organisator Mojo op de affiche) in het Concertgebouw in Amsterdam, en zijn volgende, woensdag 2 oktober 2019 in Tilburg, zit een eeuwigheid. Rolling Stone-recensent Lester Bangs noemde Alice Cooper in 1972 in zijn recensie van het succesvolle album Killer „een sterke, vitale band, die nog lang onder ons zal zijn”.

Hij had gelijk. De inmiddels 71-jarige Cooper is nog onder ons met The Ol’ Black Eyes is Back-tour en zingt nog net zo makkelijk ‘I’m Eighteen (and I like it)’ als ver terug in de vorige eeuw. Vorig jaar maakte hij nog een overtuigend live-album, A Paranormal Evening at the Olympia Paris, en voor de afwisseling vormt hij met acteur Johnny Depp en Aerosmith-gitarist Joe Perry de Hollywood Vampires, een band waarmee hij regelmatig optreedt en afgelopen voorjaar een album maakte, Rise. En onlangs verscheen een EP met nummers over zijn geboortestad Detroit, Breadcrumbs.

You know”, zegt Cooper, beginnend met wat zijn stopwoord blijkt, „ You know, we never stop. Ik heb nu dertig albums gemaakt, en ik krijg er nooit genoeg van. Zodra je vindt dat je je beste song geschreven hebt, moet je ermee stoppen. Ik denk niet dat ik dat al gedaan heb. En ik heb ook m’n beste shows nog niet gegeven. Dus ga ik door.”

‘God, I feel so strong’, schreeuwt u uit in ‘Hello Hooray’, een cover van een nummer van Judy Collins op het succesalbum ‘Billion Dollar Babies’ uit 1973. U was toen 25. U klinkt nu nog net zo krachtig als toen.

„Ik ben in elk geval in een betere conditie”, zegt Cooper lachend. „Vanwege alle lichaamsbeweging [hij is een meer dan verdienstelijk amateur-golfer, red.], niet drinken en geen drugs. En geen sigaretten. Ik heb nooit gerookt. Dat heeft een grote invloed op je energie. Want ik ken heel wat mannen van mijn leeftijd, rokers, die niet meer dan twee shows per week kunnen doen. Wij doen er soms vier, vijf.”

Cooper vertelt dat hij een paar avonden eerder in Arizona The Rolling Stones zag optreden. „Vóór de show sprak ik met Mick [Jagger]. Hij zag er fantastisch uit, terwijl hij pas een paar maanden geleden aan zijn hart is geopereerd. Ik vroeg hoe het met hem ging. Goed dus: tweeënhalf uur en hij heeft geen seconde stilgestaan; hij was zo goed als in z’n beste jaren! Amazing. Hij is inmiddels 76 en overgrootvader. I mean, come on.”

„Op de middelbare school en op de universiteit, toen ik nog een kid was, was ik een afstandsloper – 1.500 en 3.000 meter. Dat uithoudingsvermogen heb ik altijd gehouden. Ik ben bijna nooit ziek, ben wat dat betreft een gezegend mens, you know. Dat zie je ook bij Iggy [Pop]. We zijn even oud, allebei uit Detroit. Na alle dingen die wij met onze lichamen hebben gedaan toen we jonger waren, zouden we niet in deze geweldige vorm moeten zijn.”

Boa constrictors

Cooper gebruikte ontelbare attributen op het podium, maar na het kip-incident hield hij zich voortaan verre van dierenmishandeling. Wel zouden slangen, boa constrictors, een tijdje deel uitmaken van zijn act.

De onlangs overleden documentairemaker D.A. Pennebaker legde het kip-incident vast op film. Hij maakte een documentaire over het festival in Toronto waar Alice Cooper in september ’69 optrad. De organisatoren hadden de hulp ingeroepen van Coopers Canadese producer Bob Ezrin; die bood zijn diensten aan in ruil voor een optreden van ‘zijn’ nog betrekkelijk onbekende band – nadrukkelijk tussen John Lennon met zijn Plastic Ono Band (met Eric Clapton) en The Doors in. En zo gebeurde. Cooper: „ Ons optreden tussen die twee in was een klassiek moment in de rock-’n-roll.” En het liet zien dat Alice Cooper geen doorsnee love, peace en happiness-band was.

„Ik denk dat dat het moment was waarop het publiek zich realiseerde dat het een schurk wilde hebben, een schurk in de rock. Die ontbrak in die tijd. Iedereen in de popmuziek was een held, en er waren geen slechteriken. Ik was toen net het personage Alice Cooper aan het ontwikkelen, en besloot dat deze schurk grappig en angstaanjagend tegelijk moest zijn. En het werkt nog steeds.”

Daar hoorde een bijpassend uiterlijk bij. „Deze schurk kon niet zomaar elke rockstar zijn, niet een nieuwe Mick Jagger, of Freddie Mercury; hij moest een totaal nieuw personage zijn, sexy en angstaanjagend. Toen kwam die make-up. Ik kan me nog herinneren dat het publiek een beetje geschokt was toen ik dat op had. Dat was nog in de tijd dat je een publiek kon shockeren, you know. Dat kan nu niet meer. Het publiek is shock proof geworden, door alles wat er op de wereld gebeurt. Alleen al de mass shootings… Of ze nu Marilyn Manson heten, Rob Zombie of Alice Cooper – die shockeren geen mensen meer. Maar in 1970 kon dat nog heel goed.”

Danseres werd echtgenote

„Die make-up is altijd hetzelfde gebleven; een soort vaselineverf die elke clown gebruikt.” Gemakkelijker op te brengen en te verwijderen dan wat zijn vrouw Sheryl in de show opdoet. „Ze speelt twee rollen en maakt zich daarvoor twee keer totaal verschillend op, en daar heeft ze maar twee nummers voor. Om eerlijk te zijn: ik heb geen idee hoe ze het doet.” Sheryl Goddard is de vrouw met wie Alice Cooper al 43 jaar getrouwd is. Net als hij kind van een dominee. Achttien was ze toen ze een relatie kregen, ze danste in 1975 in zijn eerste solo-show, Welcome to my Nightmare, en hij vertelt aan iedereen die het wil horen dat hij haar altijd trouw gebleven is. Dochter Calico, een van hun drie kinderen, speelde recenter in zijn shows en op zijn albums. Zij is er nu niet bij. „Met Chuck Garric [zijn vroegere bassist] heeft ze haar eigen band, Beasto Blanco. Leadzanger is ze, en net zo theatraal als ik.”

In uw jonge jaren in Los Angeles kon u het goed vinden met Doors-leadzanger Jim Morrison. Wat trok u aan in hem?

„Hij was als een oudere broer voor me. En je kon meteen zien dat hij met zijn levensstijl niet oud zou worden. Op het podium was hij perfect. In de studio ook. Maar als hij alleen was, op straat, dan was hij uitermate onberekenbaar. Hij slikte pillen zoals jij M&M’s eet. Je wist dus nooit of hij naar voren ging, naar achteren, naar links, naar rechts, naar boven of naar beneden. Hij deed met opzet dingen die angstaanjagend waren, deathifying. Hij sprong uit rijdende auto’s en ik was erbij toen hij over de rand van een zestig verdiepingen tellend gebouw liep. What are you doing? Dat was Jim. De meest afwijkende persoon die ik ooit heb ontmoet. Zo veranderlijk ook. Op slag kon hij iemand anders zijn.”

Van Mick Jagger leerde u om nooit naar beneden te kijken op het podium, maar altijd naar voren, het publiek in. Wat hebt u van Morrison geleerd?

„Dat je je personage uit moet kunnen zetten. Met andere woorden, je hoeft niet de hele tijd Jim Morrison te zijn, je hoeft niet de hele tijd Mick Jagger te zijn, of Alice Cooper. Vooral in mijn geval, waarbij het personage zo theatraal was en zo van mij verschilde dat ik beiden een plek moest geven, met Alice op het podium. En vanaf het moment dat het doek weer naar beneden kwam moest ik hem daar laten en vanaf dat moment mezelf weer zijn, zonder me druk te hoeven maken over Alice. En eenmaal weer op het podium werd ik dat personage weer.” Zo kwam hij tot twee keer van een alcoholverslaving af. Het was in de tijd, in de jaren 70 en 80, dat je Alice Cooper niet zonder een blikje of flesje Budweiser zag.

Christen

De dood is een centraal thema in het werk van Alice Cooper: hij zingt erover, flirt ermee – en heeft in een halve eeuw ontelbare collega’s zien sterven, van Janis Joplin, Jimi Hendrix en Jim Morrison (over wie hij na diens dood het nummer ‘Desperado’ maakte) tot zijn golfmaatje Glen Campbell. ‘I love the dead’, zong hij in 1973 al op Billion Dollar Babies, en het is een van de twintig nummers in zijn huidige show. Maar neem zijn liefde voor de dood vooral niet letterlijk, benadrukt hij.

„We krijgen er allemaal mee te maken. Als christen heb ik een duidelijke opvatting over wat er hierna gebeurt. Voor mij heeft de dood ook een romantische kant. Het is iets natuurlijks waarvan we allemaal weten dat het ons op enig moment zal overkomen. We weten alleen niet wanneer. Ik maak er vaak grappen over omdat ik het op die manier onschadelijk wil maken. Zoals op het podium, met de guillotine. Alice moet vernietigd worden omdat hij een schurk is. Ik wil niet dat de dood iets is om bang voor te zijn. Mij is ook geleerd om er geen angst voor te hebben. Er zijn twee dingen waar je niks over te zeggen hebt: over je geboorte en over je dood. Het gaat erom wat je er in de tussentijd van maakt. You know?”