Opinie

Schilder niet met een te brede kwast: met migranten in Nederland gaat het goed

De Nederlandse geschiedenis leert: voor vrijheid en verdraagzaamheid moet altijd gestreden worden, stelt .
Kinderen voor de Nachtwacht in het Rijksmuseum.
Kinderen voor de Nachtwacht in het Rijksmuseum. Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen twee weken geleden was er niet de voorspelbare politiek van de verkettering, maar de verrassing van de verbinding. Er klonk één onverteerbare, on-Nederlandse dissonant, toen een Kamerlid sprak van „een Marokkanengif dat door de straten van Nederland stroomt.” Onverteerbaar om een hele bevolkingsgroep op die manier weg te zetten. En on-Nederlands, omdat die extreme mate van intolerantie niet te is rijmen met de lessen van de vaderlandse geschiedenis.

Die lessen, over de essentie van de Nederlandse identiteit, gaan over vrijheid en verdraagzaamheid. Om dat te doorgronden, kunnen we kijken naar de 17e-eeuwse, jonge Republiek, die vergeleken met de rest van de wereld grote vrijheid kende. Naar de periode en de namen waar wij nog steeds naar verwijzen als ons wordt gevraagd wat Nederland nu écht Nederland maakt: Rembrandt, Vermeer, Vondel, Spinoza, Huygens, Grotius, De Ruyter en de gebroeders De Witt en De La Court.

De Zeven Verenigde Nederlanden waren het toevluchtsoord voor andersdenkenden. Tolerantie werd er gekoesterd, al was het maar om pragmatische redenen: een einde brengen aan religieus conflict. In de Unie van Utrecht in 1579 werd de persoonlijke vrijheid van godsdienst gegarandeerd. Twee jaar na de Unie zworen ‘we’ – als ik zo naar onszelf als verre nazaten van die periode mag verwijzen – met het Plakkaat van Verlatinghe de Spaanse Koning Filips II af, onder andere vanwege zijn tirannieke religieuze opvattingen.

Een triomf voor de tolerantie, zou je denken. Maar een generatie later zou blijken van niet. Remonstranten en contra-remonstranten stonden tegenover elkaar in een heftige theologische discussie die al snel een politiek conflict werd, uitmondend in de onthoofding van Van Oldenbarnevelt in 1619. De godsdienstvrijheid in de 17e en de 18e eeuw was niet het resultaat van een onafgebroken overwinningsmars naar vrijheid en burgerrechten. Het was een kronkelpad. De geschiedenis meanderde. Vrijheid, burgerschap en natiebesef werden in de Republiek zwaar bevochten, voor sommigen tot aan het graf.

Verdraagzaamheid onder druk

Deze historie is belangrijk voor de vraag hoe het gaat met ons – en met onze tolerantie – in Nederland anno 2019. Verdraagzaamheid, die nu onder druk staat, is afhankelijk van individueel en cultureel zelfbewustzijn. We verliezen een zeker optimisme. De huidige cultuur is doordrenkt van het gevoel dat we iets aan het kwijtraken zijn. Schrijvers, politici en maatschappijcritici spreken met een zwaar gemoed over ‘de ondergang van het Avondland’.

Ik deel deze wanhoop niet. Nederland gaat niet ten onder, maar we bevinden ons wel in een overgangstijd. De trans-Atlantische relatie staat onder druk. De Europese Unie dreigt voor het eerst ooit te maken te krijgen met een amputatie. Ongeveer 68 miljoen mensen zijn wereldwijd op de vlucht of intern ontheemd. Onze levens worden in toenemende mate bepaald door technologische ontwikkelingen.

Deze nieuwe wereld is niet het resultaat van ‘auto-immuunziektes’ of van ‘elites’ die zich tegen de samenleving hebben gekeerd. Het heeft te maken met ontwikkelingen die zeventien miljoen Nederlanders maar beperkt kunnen beïnvloeden. Het is de taak van politici mensen in staat te stellen die ontwikkelingen aan te kunnen. Het is ook de taak van politici om weerwoord te bieden aan populistische wolven in het bos.

Integratie gaat de goede kant op

Die wolven huilen het hardst als het gaat om immigratie en integratie. Daarbij gaan feiten niet zelden overboord. Iedereen zou het inmiddels moeten weten: in het onderwijs gaat het met de grootste migrantengroepen – Marokkaans, Turks, Surinaams en Antilliaans – de goede kant op. Eén op de drie kinderen met een Marokkaanse achtergrond gaat inmiddels naar de havo of het vwo. In 2005 was dat één op de vijf.

Ja: de ‘klassieke’ migrantengroepen hebben een hogere bijstandsafhankelijkheid dan Nederlanders zonder migratieachtergrond. Maar: voor de tweede generatie ligt deze afhankelijkheid lager dan bij hun ouders. En het verschil is het – zoals in alle domeinen – het kleinst bij de jongste geboortecohorten. Dat wil zeggen: het gaat de goede kant op.

Ja: in de criminaliteit zijn Nederlanders met een migrantenachtergrond oververtegenwoordigd. Maar het aandeel personen dat als verdachte van een misdrijf wordt geregistreerd, is de afgelopen dertien jaar in alle groepen met ongeveer de helft afgenomen. Ook hier doet de tweede generatie het beter dan de eerste generatie. Dus ook hier is de ontwikkeling positief.

Het gaat goed met migranten in Nederland. Het is verleidelijk om hier te wijzen op enkele ‘successen’. Maar ik vind het ongemakkelijk als mensen zeggen: ‘in Nederland kun je als Marokkaanse-Nederlander als je je best doet burgemeester van Rotterdam worden, of voorzitter van de Tweede Kamer’. Alsof je pas meetelt of goed bent geïntegreerd als je iets bereikt wat überhaupt maar door een paar mensen ieder decennium in heel Nederland wordt bereikt.

Nuance verdwijnt uit politieke midden

Als een niet-westers migrantenstel in de spreekkamer van een huisarts komt, weigert een hand te geven, en de echtgenoot per se het woord wil doen voor zijn vrouw, dan vind ik dat ongemakkelijk omdat het fundamenteel botst met mijn eigen levensovertuiging en wereldbeeld. Maar zal het niet gebruiken als het bewijs dat het met de wens van de hele groep erbij te horen niet goed gaat. Dat de nuance niet alleen op de politieke flanken maar soms ook in het midden verdwenen lijkt , baart mij zorgen. Want ook vanuit het politieke midden horen we dat veel te veel op het terrein van migratie en integratie niet goed gaat, en dat de wederkerigheid bij nieuwe Nederlanders ontbreekt. Hier wordt mijns inziens met een te brede kwast geschilderd. De feiten logenstraffen de stelling dat „veel te veel niet goed gaat”.

Lees ook: Kaag zet zich in speech af tegen Hoekstra

Ik ben een vrouw, katholiek, progressief liberaal, democraat en Nederlander. Ik was een diplomate en nu ben ik een politicus. Ik ben een echtgenote en een moeder van vier kinderen. Er zijn situaties waarin ik specifiek één van die elementen ben, en soms ben ik alles tegelijkertijd. Identiteit is, kortom, niet een statisch en monolithisch gegeven.

Dat geldt ook voor wat we nu zien als ‘typisch Nederlands’. Dat is in het verleden bevochten op de conservatieve krachten van het moment. Ook in het verleden werkten er nu eenmaal meer lobbyisten voor de status quo, dan voor de verandering. Wij vinden het homohuwelijk – of liever, het huwelijk voor iedereen – een typisch Nederlands verschijnsel. Maar dat was het eeuwenlang niet. Homo’s in Nederland kunnen pas twintig jaar trouwen. Het is dus geen vaststaand gegeven, geen rechtstreeks gevolg van onze cultuur en geschiedenis. Er is jarenlang vóór en jarenlang tegen gestreden.

Open en veelkleurig Nederland

We hebben nu een nieuwe strijd te voeren. Ver verleden en recent verleden bewijzen dat onze vrijheden en verworvenheden niet vanzelfsprekend zijn. Geschiedenis rolt niet over ons heen; wij bepalen zelf hoe het hier verder gaat. Nederland (en ook de EU) is een verhaal dat wij nog altijd aan het schrijven zijn.

Ik hoop dat we aan onze kinderen als zij het Rijksmuseum bezoeken vertellen dat zij kunnen meeschrijven aan dat verhaal. Ook als hun ouders niet in Nederland zijn geboren, en ook als ze zélf niet in Nederland zijn geboren. En dat het belangrijk is om te weten ‘wie wij waren’, maar nog belangrijker om te bepalen wie wij zijn.

Daarom ben ik vol overtuiging teruggekomen na 25 jaar in het buitenland, om een klein beetje bij te dragen aan dat open en veelkleurige Nederland. In de 21ste eeuw zijn onze verschillen in achtergrond, voorkeur, seksuele geaardheid, levensovertuiging, godsdienst – en ga zo maar door – er niet langer om door een homogene meerderheid of elite al dan niet oogluikend en schoorvoetend te worden geaccepteerd. Ze zijn er nu om gevierd te worden. Ze zijn essentieel onderdeel van onze gezamenlijke identiteit geworden. Laten we onze openheid, verscheidenheid en diversiteit vieren. Het is de zuurstof van onze samenleving.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.