Had die jongens uit de wijk maar niet zo groot laten worden

Drugsbestrijding Waar staat de Nederlandse drugscriminaliteit, en de opsporing ervan, na de moord op advocaat Derk Wiersum? „Ze bleken razendsnel doorgegroeid tot echte maffiabazen.”

Links Marechaussee op de Zeedijk in Amsterdam, 1987.
Links Marechaussee op de Zeedijk in Amsterdam, 1987. RUUD HOFF/ANP

Het was een eye-opener, zegt Jeroen Poelert, plaatsvervangend chef van de Landelijke Recherche. Met de aanhouding van Gwenette Martha in 2006 kreeg de Amsterdamse recherche, waar hij destijds voor werkte, voor het eerst goed zicht op de nieuwe verhoudingen in de onderwereld.

Een Antilliaans-Nederlandse jongen uit de Amsterdamse Pijp, die met grootschalige invoer van cocaïne naar de top van de onderwereld doorstootte. „Hij droeg héle dure kleding, had een handvol dure auto’s, waaronder een BMW 850, en in z’n boekhouding ging het over honderdduizenden euro’s aan contanten – per week.” Maar meest opvallend, zegt hij, was zijn entourage: Nederlands-Marokkaanse jongens, van de straat. „Die hadden we niet eerder met georganiseerde drugscriminaliteit in verband gebracht. In zijn eigen wijk bleek Martha kíng. Hij had op die jongens een ongelooflijk aanzuigende werking.”

En toen kwam de eerste schok: een dubbele liquidatie in de Staatsliedenbuurt, 29 december 2012. Twee doden, een beschoten motoragent en een met kogels doorzeefde Range Rover midden in een woonwijk. Holy fuck, dacht Poelert, toen nog recherchechef in Amsterdam. „Dat gewéld, dat was ongekend.” Het doelwit was een partner van de voormalig rechterhand van Martha, met wie hij nu ruzie had.

De tweede schok, 23 mei 2014, was des te groter. Dat was de liquidatie van Gwenette Martha zélf, in Amstelveen. Vermoedelijk dóór die Nederlands-Marokkaanse jongens, van de straat. Ze bleken razendsnel doorgegroeid tot echte maffiabazen en bewogen zich tussen Panama, Dubai, Colombia, Nederland. Poelert ziet het wel vaker: „Van wijk tot wereld, in een paar jaar. Het gaat razendsnel.”

Wie zijn het, hoe ziet hun wereld eruit? Dat waren de vragen waar Jeroen Poelert voor stond – en stáát, sinds de moord vorige week op advocaat Derk Wiersum. Maar het waren ook vragen die de recherche al lang niet meer had gesteld. Het waren vragen uit het verleden. Denken in kopstukken, dat deed de recherche in de tijd van Klaas Bruinsma en Willem Holleeder.

De recherche van nu is een heel andere. En ja, de georganiseerde drugscriminaliteit heeft de afgelopen decennia kunnen woekeren. Vraag het (oud-)politie- en recherchechefs en ze zeggen het allemaal. Alsof je een tijdje het gazon niet maait en plots een bos ziet staan. Hoe kan dat?

Koffers vol heroïne

„Je treft me op een goed moment.” Eric Nordholt (80), voormalig hoofdcommissaris van de politie in Amsterdam, komt net uit de kruipruimte waar hij de meterstanden heeft gecontroleerd. „Op mijn leeftijd even een klusje. Maar het is gelukt!”

Toen Nordholt begon als inspecteur van politie, in 1959, was de wereld nog veilig. „Eerlijk, er was gewoon niets te doen. Verkeersovertredingen, dat was het.” Dat veranderde met de komst van de drugs, eind jaren 60. Illegale Chinezen brachten koffers vol heroïne naar de hoofdstad. De eerste gebruikers waren Amerikaanse Vietnamveteranen, en na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 werden het jonge, werkloze mannen in de Amsterdamse Bijlmermeer.

Kees Sietsma werd in die tijd hoofd van de recherche en was betrokken bij de strijd tegen de Chinese triades die heroïne naar Nederland smokkelden. Onkruid moet je maaien, hardnekkig blijven maaien, is Sietsma’s filosofie. „En dat is wat we deden.”

De recherche had in de jaren zeventig al flinke stappen gemaakt. „Internationale samenwerking, gecontroleerde aflevering van zendingen drugs en infiltratie in criminele groeperingen – daar hadden we jarenlange ervaring mee. Je hebt kennis van binnenuit nodig om echt inzicht te krijgen in groeperingen en gecontroleerde zendingen heb je nodig om genoeg bewijs te verzamelen over opdrachtgevers en leveranciers van drugstransporten. Dan kom je bij de top van de organisatie. Je kunt wel partijen drugs vegen en een stel drugskoeriers oppakken, maar daar heb je niks aan.” De aanpak is succesvol en de inzet van de infiltrant wordt eind jaren zeventig tot aan de Hoge Raad goedgekeurd.

Zo kan het niet langer

In 1987 werd Nordholt hoofd van het Amsterdamse politiekorps en zag zich geconfronteerd met een hausse aan straatroof – door junks. „Die felle kritiek van de media, bijna dagelijks een voorpagina-artikel in De Telegraaf. ‘Dit kan niet langer’, zeiden we bij de politie tegen elkaar. ‘We moeten er tegenaan’.”

Bedenk, zegt Nordholt, de politie-organisatie zag er destijds heel anders uit. „Je had geen bestuur van bovenaf, geen Nationale Politie. Wij waren autonoom, onafhankelijk.” Dus toen hij na een hausse aan straatovervallen zei: ‘Jongens, we formeren een team’, „was er binnen een week tweehonderd man uit korps vrijgemaakt.”

De focus ging naar de wijken. Een beslissing die voortkwam uit het rapport Politie in Verandering (1977). „Want crimineel gedrag begint niet op twintigjarige leeftijd”, zegt Nordholt. „Dat ontstaat jong, daar moet je bovenop zitten.” Hij stelde buurtregisseurs aan en bouwde overal wijkbureaus. „Je zag onder burgers een grote welwillendheid. Marokkaanse jongens gingen hun eigen wijken en pleinen bewaken.” Voelsprieten in de buurt, zodat je weet wat er speelt. De minister vond het aanvankelijk niks, „te links, te radicaal”, zegt Nordholt, maar de hoofdcommissaris hield vast aan „de wijkgerichte aanpak”.

Olievat overgoten met beton

De aanpak van Nordholt zorgde voor veel discussie in het Amsterdamse korps, vertelt Kees Sietsma aan de telefoon vanuit Frankrijk. „Over hoeveel capaciteit er naar recherche kon.” Sietsma wist dat het menens was met de georganiseerde misdaad toen in 1985 crimineel André Brilleman in het water bij Herwijnen werd gevonden – dood – in een olievat overgoten met beton. „Precies zoals de Cosa Nostra al eens had gedaan.” Klaas Bruinsma zat achter de liquidatie, was het vermoeden. En Sietsma begreep: Bruinsma wil zijn organisatie net zo inrichten als de Italiaanse maffia. Hij had het allemaal al gezien bij de Chinese maffia die in de jaren zeventig heroïne naar Nederland smokkelde. „Nu zagen we een Nederlandse onderwereldbaas die zich van grof geweld bediende, geld investeerde in vastgoed en informatie vergaarde via corrupte contacten bij de politie.”

Voor Sietsma was het aanleiding voor een serieuze analyse van de georganiseerde misdaad in Nederland. „Het was de eerste in zijn soort. Wie zijn het? Waar zitten ze? Wat doen ze? Waar maken ze allemaal gebruik van? Dat waren de vragen die we ons stelden”, aldus Sietsma. De stelling dat in Amsterdam en in Nederland criminele groepen actief waren met maffiose kenmerken kwam voor veel mensen als een schok. Voor Sietsma was het een gegeven waar de politie iets tegenover moest stellen. „Dat lukte slecht. Er was in die tijd wel belangstelling voor de opsporing, maar het werd nooit concreet.”

Nordholt hield vast aan zijn eigen filosofie. Ook de aanpak van georganiseerde criminaliteit, meende hij, begon in de wijken, níet bij de opsporing. „Want je kunt wel meer óplossen, maar daarmee kun je niet voorkómen.”

Het frustreerde Sietsma, destijds chef van de recherche en direct betrokken bij de opsporing van de Heineken-ontvoering. „Ja, we hebben de recherche in die tijd wat verwaarloosd”, beaamt Nordholt. „Maar het hele korps was een bende toen ik er kwam. Er moest flink worden gereorganiseerd, en de aandacht daarbij ging naar de wijkteams, minder naar de recherche. Je kunt niet alles in één keer veranderen.”

De aanpak van de georganiseerde misdaad kwam terecht bij nieuw op te richten Interregionale Rechecheteams: de IRT’s. „Dat was een compromis waarbij rechercheurs zonder ervaring en goede begeleiding in het diepe zijn gegooid”, aldus Sietsma. Zij moesten aan de slag met de infiltratie-aanpak van Sietsma en de zijnen. Bij de Amsterdamse politie kreeg de recherche echter niet de aandacht van de korpsleiding die Sietsma voor ogen had en hij vertrok in 1988. Zijn missie om de Amsterdamse recherche verder uit te bouwen en te professionaliseren was mislukt.

Toen in 1993 de IRT-affaire ontbrandde, kreeg Sietsma tot zijn teleurstelling gelijk. De opsporing met criminele burgerinfiltranten was volledig uit de hand gelopen, concludeerde de parlementaire enquêtecommissie-Van Traa na jaren onderzoek in 1996. Er waren met medeweten van justitie grote partijen drugs het land binnengekomen. Niet de georganiseerde misdaad, maar de opsporing daarvan stond in het hart van een politieke storm. De succesvolle infiltratiemethode werd verboden, net als het gebruik van de criminele burgerinfiltrant. „Dat was voor de recherche drie stappen terug”, aldus Sietsma nu. „En van criminele zijde stonden ze te lachen.”

Productie van xtc en wiet

In de onderwereld was in die tijd een nieuw verdienmodel tot bloei gekomen. Naast de smokkel van hasj en heroïne gingen criminelen zich toeleggen op de productie van xtc en wiet. Een businessmodel dat vele miljarden aan omzet genereerde. Het waren met name criminelen in Brabant die zich hierop waren gaan toeleggen, vertelt Wilbert Paulissen, die bij de recherche werkte toen xtc in 1988 werd verboden. „We zagen in die tijd hoe de van oudsher gewelddadige criminelen uit de Brabantse onderwereld zich op de productie gingen richten en allianties aangingen met organisaties uit de Randstad”, aldus Paulissen, nu politiechef in Oost-Brabant. Diezelfde groeperingen ontdekten niet lang daarna nederwiet als nieuwe groeimarkt.

En zo kreeg Nederland te maken met dumping van drugsafval, drugslabs en wietplantages in woonwijken, oude loodsen of boerderijen. Dat leverde niet alleen grote gezondheids- en veiligheidsproblemen op – bewoners, boeren en ondernemers kregen ook steeds vaker te maken met afpersing, bedreiging en intimidatie. „We zagen vaak dezelfde criminele kopstukken terug, maar de organisaties erachter werden steeds groter en complexer. Om drugs te produceren heb je veel meer handjes nodig en we zagen in Brabant dat grote groepen mensen betrokken raakten bij de drugsproductie of er van mee-aten”, zegt Paulissen. Wiet knippen verdiende veel beter dan vakkenvullen bij de supermarkt. En de mensen die zich lieten verleiden associeerden dat niet met misdaad. Wiet roken werd immers gedoogd. Het leidt tot een maatschappelijke acceptatie waar we nu ook nog mee worstelen, aldus Paulissen: „Tot op de dag van vandaag moeten we als politie handhaven op een norm waar maatschappelijk weinig draagvlak voor is. De loopjongens en ‘onschuldige’ wietknippers realiseren zich vaak niet dat zij de grote criminelen in staat stellen om onzichtbaar te blijven en daarmee onderdeel zijn van het criminele proces.”

Ingewikkelde keuzes

Door de nieuwe focus op de drugsproductie verdwenen oude aandachtspunten van de recherche uit zicht. Voor de smokkel van drugs was veel minder aandacht en in 2008 werd een gespecialiseerde eenheid voor wapenhandel opgeheven. De menskracht was nodig voor de strijd tegen wietcriminaliteit in Brabant.

„Keuzes”, zegt Poelert, de huidige plaatsvervangend recherchebaas. De recherche van de landelijke eenheid kan haar zoeklicht, gezien de capaciteit – zo’n achthonderd man – maar beperkt laten schijnen. „Dat is mijn werkelijkheid. Ik móet keuzes maken. Je kunt niet álles bestrijden.”

De aanpak van drugsimport heeft ook weinig effect meer, zegt Poelert. „Jarenlang heeft de focus gelegen op het onderscheppen van containers met cocaïne in de Rotterdamse haven. Maar we merkten: de marktprijs voor cocaïne ging er niet van omhoog.” Ofwel: de invloed was nihil. „En je kunt wel al je opsporingscapaciteit wegbranden op drugs, maar wat doe je met thema’s als witwassen, contraterrorisme? En we krijgen jaarlijks duizenden meldingen van mogelijke kinderporno.”

Het maken van keuzes werd alleen maar lastiger toen in 2012 de cocaïnemaffia haar ware gezicht liet zien in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt. Het geld en geweld dat de cocaïnesmokkel met zich meebracht leidde tot veel nieuwe onderzoeken maar dwong de recherche soms ook tot harde beslissingen. Tegen Gwenette Martha, gezien als een van de kopstukken van de cocaïnemaffia, liep een groot onderzoek toen hij in 2014 werd doodgeschoten. Na zijn liquidatie in 2014 richtte dat zich op zijn criminele erfgenamen. Zijn dood kan worden gezien als de start van het grote conflict dat de onderwereld en Nederland nog steeds in zijn greep heeft. Toch moest het team dat hiermee bezig was, op 17 juli 2014 het werk stilleggen – nadat de MH17 boven Oekraïne uit de lucht werd geschoten.

Darkweb, geldstromen, ondermijning

Intussen werd de wereld van de georganiseerde misdaad nog ingewikkelder, zegt Poelert. „Vroeger zaten die kopstukken allemaal in Nederland, op één plek. En als ze een keer naar Spanje gingen voor een afspraak zaten wij al in de rats: hoe doen we dat met de intelligence? Nu begeven die jongens zich over de hele wereld. Als recherche zijn we meer gaan zitten op de infrastructuur: het darkweb, de geldstromen, ondermijning. Wél die dure auto afpakken, en de drugsimport maar als een gegeven beschouwen.”

Had die jongens uit de wijk maar niet zo groot laten worden, zegt oud-hoofdcommissaris Eric Nordholt. Dan was het nooit zo uit de klauwen gelopen. Maar hij zag de politie de afgelopen jaren alleen maar wégtrekken. Al die politiebureaus die hij in de wijken had neergezet, zijn weer afgebroken. „Nu zie je ze alleen nog met auto’s erdoorheen rijden.”

De oprichting van de Nationale Politie heeft de organisatie geen goed gedaan, meent Nordholt. „Alles is nu centraal geregeld. Maar de aanpak van georganiseerde misdaad vereist een creatieve benadering, van onderop in de organisatie. En die is er niet. Er is geen stimulans meer om creatieve, nieuwe dingen te doen.” De politie, vindt hij, is verworden tot een organisatie van bestuurders, een bureaucratisch moloch. „Wij zeiden het gewoon openlijk, als het een bende was. Maar wie heb je na de moord op Derk Wiersum nou op tv gezien? Een hoofdcommissaris? Nee, alleen de minister. Die met grote woorden schermt. Nou, dat was in mijn tijd wel anders.”

Correctie (28 september 2019): De geüniformeerde mannen op de foto zijn van de marechaussee, niet van de politie, zoals hier eerder stond. Het fotobijschrift is daarom aangepast.