Moet ik nu een bunker bouwen? En 12 andere vragen (en antwoorden) over negatieve rente

Lezersvragen De rente is negatief, en wordt negatiever. We betreden een tijdperk waarin oude economische wetten niet meer gelden. Moet de spaarder straks rente betálen op zijn rekening en kríjg je straks rente op je hypotheek? De economieredactie van NRC onderzoekt een van de grote financiële trends van dit moment – met hulp van lezers. Meer dan honderd lezers reageerden op een oproep om vragen in te sturen over de negatieve rente. Hier een selectie.

Illustratie Sjoerd van Leeuwen
  1. Negatieve rentes? Hoe kan dat, en hoe kwamen we hier terecht?

    In Japan zijn de rentes al langer extreem laag, nul procent of zelfs negatief. Sinds 2014 is dit ook het geval in de eurozone, en nog enkele Europese landen zoals Denemarken en Zwitserland. Ruim 14.000 miljard dollar aan staatsleningen heeft nu wereldwijd een negatieve rente. Daarbij zit een derde van alle staatsleningen van eurolanden. In de Verenigde Staten zijn de rentes niet negatief, maar wel erg laag: gemiddeld 1,7 procent. De kans op een daling is groot.

    Opmerkelijk genoeg is er nog geen consensus onder economen over hoe het allemaal zo gekomen is. Drie elementen dingen naar de hoofdrol: inflatie, een spaargolf en het beleid van centrale banken. En ze maken allemaal een kans.

    Eerst de inflatie. Sinds het begin van de jaren tachtig is die overal in de westerse wereld gedaald, van meer dan 12 procent naar minder dan 2. Dat werd lang op het conto geschreven van de centrale bankiers, wier onafhankelijke monetaire beleid goed bleek te werken. Maar er was meer aan de hand. Globalisering drukte de prijzen, het ontstaan van wereldwijde productieketens maakte de fabricage van goederen allengs goedkoper. En, zeer belangrijk, de toetreding van de reus China tot de wereldeconomie ontsloot een enorme reserve van goedkope arbeidskrachten.

    Tegelijkertijd heeft een vloed aan spaargeld de westerse economieën overspoeld. Aziatische landen zijn, zeker sinds hun crisis van 1997-1998, forse financiële reserves gaan aanleggen. Die hebben vaak de vorm van staatsleningen van de VS en de eurolanden.

    Een andere belangrijke bron van spaargeld is de vergrijzing die in de westerse wereld optreedt nu de babyboomers tegen hun pensioen aan zitten of daar al zijn. Ook China vergrijst. Sommige economen spraken al vóór de financiële crisis van 2008 over een ‘mondiale spaarvloed’. Die vond zijn weg vooral naar (toen) de grootste economie van de wereld én de diepste kapitaalmarkt: de VS. De zeepbel die daardoor werd opgeblazen, droeg bij aan de financiële crisis zelf. Sindsdien is de spaarwoede niet afgenomen, maar juist doorgegaan. De koersen van (staats-)leningen werden erdoor opgeblazen, en de rentes daalden navenant.

    En dan zijn er de centrale banken. De kritiek is dat zij al veel langer, vanaf de helft van de jaren negentig, een veel te soepel monetair beleid voerden. De vraag daarbij is of zij gezien de dalende inflatie wel anders konden. Maar feit is dat bij elke crisis en elk alarm een reflex ontstond om de rente te verlagen. Zozeer dat deze ‘put-optie’ op de financiële markten deel ging uitmaken van het verwachtingspatroon: we worden toch wel gered.

    Ook na de financiële crisis is het beleid van de centrale banken gericht geweest op monetaire versoepeling: lagere rentes en opkoopprogramma’s om ook de rente op langer lopende leningen omlaag te krijgen.

    Alles om de inflatie weer op te stuwen. Maar wat de precieze oorzaak ook is: het resultaat is de lage en negatieve rente die we nu kennen.

    Lees ook dit essay van Maarten Schinkel over monetair beleid en negatieve rentes
  2. Moet ik straks rente gaan betalen op mijn spaargeld?

    In theorie zou dat inderdaad het geval kunnen worden. Hoe meer geld banken de Europese Centrale Bank (ECB) moeten betalen voor het stallen van overtollige liquiditeit (en des te lager andere veilige beleggingen renderen), des te moeilijker zal het voor banken zijn spaarders nog wel een positieve rente op hun saldo te blijven bieden.

    Maar een bank is niet voor niets een bank, en zielig hoeven we die zeker niet te vinden. Wie een doorlopend krediet heeft of een hypotheek afsluit, ziet dat de rentes daarop weliswaar laag zijn, maar nog steeds fors hoger dan de rente op sparen. De banken weten hun marges tussen betaalde en ontvangen rente dus flink hoog te houden. Waarschijnlijk mede door een gebrek aan concurrentie op bijvoorbeeld de markt voor hypotheken. Ze verdienen dus nog steeds meer aan leningen die bij hen afgesloten worden dan dat ze verliezen op de lage rente.

    Daar komt bij dat de ECB de pijn van de boeterente wat heeft verzacht. Weliswaar gaat de rente die banken moeten betalen als ze geld stallen bij de ECB van -0,4 naar -0,5 procent, maar dankzij een complex systeem dat ‘tiering’ wordt genoemd, vallen de lasten voor veel banken mee. De ECB vrijwaart daarmee een deel van de verplichte reserves die banken bij de centrale bank moeten aanhouden van de negatieve rente.

    Per saldo zijn bijvoorbeeld Nederlandse banken in het nieuwe systeem 535 miljoen euro op jaarbasis kwijt, vergeleken met 638 miljoen per jaar in het oude systeem. Een meevallertje van 103 miljoen dus. Dat neemt de druk op negatieve spaarrentes voorlopig weg, hoewel het onmogelijk te voorspellen is wat er gebeurt als de marktrentes nog lager worden. Bijvoorbeeld als gevolg van het hervatten van het opkoopbeleid van de ECB.

  3. Ontstaat er straks een bankrun omdat mensen hun geld van hun rekening halen?

    Nederlanders zijn een spaarzaam volk. Eind juli 2019 hadden huishoudens in totaal voor een kleine 370 miljard euro aan tegoeden bij hun bank uitstaan: 315 miljard euro aan niet-direct opneembare deposito’s, de rest (55 miljard) op direct opneembare spaarrekeningen.

    Als spaarders hun geld naar de bank brengen en het daar alleen maar minder waard zien worden, is het economisch gezien beter om dat geld contant aan te houden, thuis of in de kluis. Dan verliest het in elk geval geen nominale waarde (wel relatief, omdat door inflatie de waarde van het spaargeld nu al jaar op jaar wordt uitgehold).

    De kans dat spaarders massaal in beweging komen als de nominale rente onder nul zakt is inderdaad reëel, zo bleek uit onderzoek van de Consumentenbond in september 2019. Opgeteld komt 84 procent van de spaarders in beweging bij de komst van een particuliere boeterente.

    Bijna een kwart van de 7.000 respondenten zegt over te stappen naar een andere bank die nog wel (wat) rente betaalt.

    Nog eens een vijfde van de mensen geeft aan het geld bij de bank weg te halen en thuis te bewaren. 11 procent wil het spaargeld gaan beleggen als zij geen rente meer krijgen op hun tegoed. Het geld opnemen om de hypotheek mee af te lossen is ook populair.

    Slechts eenzesde van de ondervraagden zegt niets te ondernemen en rustig te blijven zitten bij de eigen bank.

    Omgerekend naar concrete euro’s komt er een kleine 300 miljard euro in beweging, geld dat banken nu gebruiken als funding om hun leningen mee te dekken. Dat zou verreweg de grootste bankrun zijn in de Nederlandse geschiedenis.

    Lees ook over het monetair beleid van Mario Draghi en de ECB
  4. Kan een negatieve spaarrente niet gewoon verboden worden?

    In België is er negatieve rente op spaarrekeningen inmiddels wettelijk verboden, en ook in Duitsland wordt nagedacht over manieren om spaarders tot 100.000 euro te ontzien. Zo’n verbod is er in Nederland niet. Banken mogen dus de rente verlagen naar nul (zoals Triodos al vorig jaar deed) en zelfs daaronder.

    President Klaas Knot van De Nederlandsche Bank zei eind september in een hoorzitting in de Tweede Kamer dat hij ook niet voor een verbod op negatieve spaarrente is. „Als je het zou verbieden, dan betekent dit dat je de manoeuvreerruimte van banken behoorlijk aan banden legt. Het heeft voor- en nadelen”, zei hij diplomatiek.

    Ook minister Wopke Hoekstra van Financiën (CDA) erkent de zorgen van burgers over de mogelijke negatieve spaarrentes. Een hard verbod op negatieve rente, zoals in België, is echter „een zeer forse ingreep in de markt, die ook nadelen kent”, aldus de minister in antwoord op Kamervragen eind september.

    Zo kan het wettelijk verbieden van een negatieve spaarrente ten koste gaan van de effectiviteit van het monetaire beleid van de ECB, en in een extreem scenario zelfs de financiële stabiliteit schaden. Banken kunnen verder ook op andere manieren kosten doorberekenen aan hun klanten, wat de effectiviteit van een verbod op negatieve rente mogelijk beperkt.

    Wat de oorzaak ook is, de negatieve rente van nu roept lastige vragen op. De meest prangende: wat moet ik met mijn geld gaan doen?

    Toch sluit Hoekstra een verbod niet categorisch uit. Wel wil hij eerst afwachten wat de banken nu precies gaan doen. Ook voor hen is invoering van een negatieve rente op spaardeposito een forse stap met grote risico’s.

    Niet voor niets wil geen van de Nederlandse banken daar in openheid over speculeren. In zijn gesprekken met de sector zal Hoekstra de lage rente en de onrust die bestaat over een mogelijke negatieve rente op spaardeposito’s blijven aankaarten. Ook wil hij van de banken zelf horen hoe zij aankijken tegen een mogelijk verbod op negatieve rente.

    Hoekstra benadrukt dat enige Europese afstemming over een verbod of bepaalde deposito’s uitzonderen van negatieve rente gewenst is.

    Hij herinnert aan de plotselinge verhoging van de depositogarantie op spaartegoeden door de Ierse overheid in de kredietcrisis van 2008. Ierland besloot toen zelfstandig die garantie te verhogen. De rest van Europa kon daarop niet anders dan volgen, omdat anders grote hoeveelheden kapitaal naar Ierland zouden stromen.

    Eenzelfde risico bestaat bij een bescherming van spaarders tegen negatieve rentes in het ene land, terwijl in het andere land die bescherming niet geldt. Anders gezegd: een Nederlandse spaarder kan in de huidige situatie uitwijken naar België of Duitsland om aan de eventuele negatieve rente in Nederland te ontkomen.

  5. Waar moet ik dan naar toe met mijn geld? Beleggen?

    Het geld voor je laten werken: dat is de gangbare definitie van beleggen. De huurder draagt een deel van zijn inkomen af aan de eigenaar van zijn huis. Ondernemers en hun werknemers verzetten werk om hun aandeelhouders dividend (uitgekeerde winst) of waardestijging (ingehouden winst) te bezorgen. En de staat betaalt grotendeels rente op zijn leningen omdat hij belasting heft op, alweer, ondernemers en werknemers.

    In die zin is de spaargolf in de vergrijzende samenleving van nu een poging van de oudere generatie om de jongere voor zich te laten werken. Maar de mogelijkheden raken door al het sparen en beleggen zo langzamerhand uitgeput. Dat hoeft geen verwondering te wekken: dezelfde spaargolf die aan de negatieve rentes ten grondslag ligt, tilt ook de prijzen van beleggingen op.

    Aandelen, met name in de Verenigde Staten, zijn al redelijk hoog gewaardeerd. De gemiddelde koers-winstverhouding staat in zowel de VS als de eurozone op tegen de 20. In de eurozone is het gemiddelde dividendrendement (het dividend als percentage van de koers) op dit moment 3,5 procent. In de VS is het nog maar 1,9 procent. Een verdere waardestijging wordt lastiger en het risico op een correctie stijgt.

    Dat betekent niet dat er geen sectoren zijn die het beter doen dan andere. Er zijn typische dividend-aandelen. Die stijgen door de tijd heen niet zo in koers, maar keren wel een hoog dividend uit. Veel oliemaatschappijen staan er bekend om. Aan de andere kant zijn er de groeiers, die met name te vinden zijn in de tech-sector.

    Wat obligaties betreft, is het goed om te weten dat als de koers van een obligatie stijgt, de effectieve rente daalt. De spaar- en beleggingsgolf (en ook de aankopen door de centrale banken) hebben de koersen van obligaties dusdanig opgedreven dat vele nu een negatief rendement hebben. Zelfs veel ondernemingen, mits stevig en betrouwbaar, lenen nu voor niets. Alleen riskantere leningen betalen nog enige rente. Maar nu zelfs Griekenland nog maar 1,35 procent rente betaalt op een tienjarige staatslening, mag duidelijk zijn dat daar de mogelijkheden eveneens grotendeels zijn uitgeput. Veel obligaties zijn enkel nog de moeite waard als de rente nóg verder daalt, en ze in koers stijgen. In die zin lijken ze nu op aandelen.

    Vastgoed dan? Ook daarvan zijn de koersen (de prijzen van huizen en kantoren) flink gestegen, met name in de grote steden. In de westerse industrielanden gingen de huizenprijzen de afgelopen vijf jaar met bijna een derde omhoog. Commercieel vastgoed in de eurozone steeg in die periode met ruim een vijfde in waarde, in de VS zelfs met een derde.

    Dat leidt allemaal tot de vraag: zitten we in een periode waarin de waarde van alle activa zich met gestegen koersen duurzaam heeft aangepast aan een lage, nul- of zelfs negatieve rente? Dan mag de belegger, na misschien nog wat laatste koersstijgingen, voorlopig misschien niet al te veel rendement meer verwachten. Maar altijd knaagt op de achtergrond de twijfel: zitten we zonder het te weten in een nieuwe zeepbel?

  6. Moet ik een bunker bouwen en vluchten in goud?

    Wie dat zou willen, is misschien al een beetje laat. Twee jaar geleden noteerde goud nog een prijs van rond 1.200 dollar per troyounce (31,1 gram). In september 2019 is dat inmiddels gestegen naar meer dan 1.500 dollar. Dat is een winst van 25 procent. Alleen al dit jaar is de koerswinst 18 procent. Dat ook aandelen het dit jaar goed doen, is opvallend: risicozoeken (aandelen) en risicomijden (goud) gaan niet vaak zo gelijk op.

    Waarom is goud populair? Normaal stappen beleggers in goud omdat het wordt beschouwd als een bescherming tegen inflatie. Maar op dit moment is juist een te lage inflatie het probleem.

    Daar staat tegenover dat een belangrijk nadeel van het edelmetaal is weggevallen: goud geeft geen rente. Maar dat doen spaargeld en veel obligaties nu in de praktijk ook niet meer. Het voordeel van goud begint dan te prevaleren: je weet min of meer wat je hebt.

    Het is precies dat ‘min of meer’ waar het risico zit. De waarde van goud is wat de gek er voor geeft. Alleen al in deze eeuw schommelde die tussen minder dan 300 dollar (2001) en meer dan 1.900 dollar (2011). Goud maakte tijdens de financiële crisis zijn reputatie van vluchthaven wél waar. Van 700 dollar in september 2008 werd het tot aan de eurocrisis van drie jaar later ruim 2,5 maal zoveel waard. In dollars dan. Want de Europeaan die in goud belegt gaat óók een valutarisico aan.

    Er zijn tegenwoordig veel verschillende manieren waarop in goud kan worden belegd. Fysiek goud kan, maar heeft relatief hoge aan- en verkoopkosten. Dan zijn er moderne fondsen (exchange traded funds) die in goud beleggen, of beleggingsfondsen in de aandelen van goudproducenten.

    Is een diepgeworteld wantrouwen in het financiële systeem het motief van de belegger, dan moet deze zich één ding realiseren. Bij fysiek goud ontsnap je aan het systeem. Maar bij aankoop van beleggingsproducten in goud blijf je er indirect toch deel van uitmaken.

    Illustratie Sjoerd van Leeuwen

  7. Wat betekent een lage of negatieve rente voor mijn pensioen?

    Pensioenfondsen komen in de problemen doordat het steeds duurder wordt om een toekomstige uitkering te beloven. Bij een lage rente moeten ze ervan uitgaan dat hun vermogen langzamer aangroeit. Voor iedere 100 euro die ze over twintig jaar moeten uitkeren, moeten ze nu al 91 euro in kas hebben. In 1999 hoefde een pensioenfonds voor precies diezelfde toezegging maar 29 euro te hebben.

    Alle pensioenfondsen samen moeten nu 1.450 miljard euro bezitten, blijkt uit de meest recente cijfers van De Nederlandsche Bank, over eind juni. Dat zijn hun ‘verplichtingen’. Gemiddeld genomen lukt dat: het totale pensioenvermogen is 1.490 miljard euro. Maar er zijn grote verschillen tussen pensioenfondsen. De vier grootste (ABP, Zorg en Welzijn en de metaalfondsen PME en PMT) – met samen miljoenen werknemers en gepensioneerden – staan er zeer slecht voor. Zij komen 7 tot 11 procent tekort.

    Het vermogen van de Nederlandse pensioenfondsen is groter dan ooit. Daar staat tegenover dat ze nog nooit zoveel geld nodig hadden om de toegezegde uitkeringen veilig te stellen.

    Het is ook goed om te beseffen dat het vermogen van de pensioenfondsen niet bestaat uit zakken met geld. Het vermogen zit vast in beleggingen: aandelen, obligaties, vastgoed, investeringen in private bedrijven, infrastructuur – als er maar geld mee te verdienen valt. Als een pensioenfonds gaat meten wat zijn vermogen is, vertaalt het al deze beleggingen in de actuele waarde. Een dagkoers dus.

    Nu is die dagkoers bijzonder hoog. Dat is logisch: de lage rente wordt veroorzaakt door een overaanbod van geld. Dat geld – voor een groot deel in het beheer van banken, verzekeraars en pensioenfondsen – moet ergens in geïnvesteerd worden. En dus worden aandelen, obligaties en vastgoedbezit populair en stijgen hun prijzen.

    Die koerswinst moet worden omgezet in harde euro’s, maar dat valt niet altijd mee. Een goed voorbeeld zijn de obligaties. Als zulke schuldpapieren populair worden, stijgt de koers. Het pensioenfonds dat zo’n obligatie bezit, wordt op papier dus rijker. Maar dat worden pas harde euro’s zodra je de obligatie doorverkoopt. Doe je dat niet, dan ontvang je alleen je uitgeleende geld terug met een lage (soms zelfs negatieve) rente.

    Het probleem is: een pensioenfonds kán zo’n obligatie meestal niet doorverkopen, waardoor de koerswinst niet verzilverd kan worden. De reden hiervan is dat pensioenfondsen altijd een vast percentage van hun geld in veilige obligaties moeten hebben zitten.

    Stel dat het fonds één obligatie na een koerswinst zou verkopen, dan moet het direct daarna een nieuwe obligatie kopen om weer op het gewenste niveau te komen. En die nieuwe obligatie is in de tussentijd óók duurder geworden. Daarom laten pensioenfondsen de obligaties meestal gewoon aflopen en incasseren ze alleen de lage rente.

    Lees ook: Geld sparen in een pensioenfonds, hoe slim is dat nog?
  8. Is de rekenrente voor de pensioenfondsen nu te laag?

    Nu de marktrente laag is, moeten ook pensioenfondsen een lage, door De Nederlandsche Bank vastgestelde ‘rekenrente’ hanteren. Pensioenfondsen hebben die rekenrente nodig om te berekenen hoeveel geld ze nú moeten bezitten om hun toekomstige pensioentoezeggingen te kunnen betalen. Is de rente laag? Dan moeten ze ervan uitgaan dat hun vermogen langzaam aangroeit. En dan moeten ze dus nu al veel geld hebben.

    De rekenrente sluit aan bij de rente die een pensioenfonds kan ontvangen op veilige obligaties. Dat verklaart waarom die nu zo laag is.

    Vakbonden, een aantal pensioenfondsen en partijen als 50Plus, SP en PVV vinden de rekenrente te laag. Het vermogen van de fondsen groeit vaak veel harder dan de rente, zeggen zij. Pensioenfondsen beleggen immers niet alleen in veilige staatsobligaties, maar bijvoorbeeld ook in risicovolle – en dus potentieel lucratieve – aandelen. Pensioenfondsen zouden er bij voorbaat vanuit mogen gaan, vinden deze partijen, dat hun vermogen in de toekomst harder gaat groeien dan de rente.

    Minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66) ziet niets in een aanpassing, net als toezichthouder De Nederlandsche Bank. Zij benadrukken dat de rekenrente niet voor niets aansluit bij de rente die je krijgt bij het beleggen in obligaties. De risicovolle beleggingen zijn niet van tevoren te voorspellen en kunnen zelfs negatief zijn.

    Daarom mogen beleggingswinsten pas worden uitgedeeld (in de vorm van pensioenverhogingen) zodra die ook echt geboekt zijn. Wel is in het pensioenakkoord afgesproken dat die beleggingswinsten straks veel sneller uitgedeeld mogen worden dan nu.

  9. Wat betekent de lage rente voor mijn lijfrentepolis?

    Ook voor lijfrentepolissen geldt: sparen is duur geworden. Dat gaat vooral op voor de meest veilige variant, het banksparen. Voor een looptijd van 30 jaar, kun je een rente van 2 procent per jaar krijgen. Dat is een prima compensatie voor de inflatie, maar een goed rendement kun je het niet noemen.

    Er zijn ook beleggingsvarianten. Daarbij kun je zelf kiezen hoeveel risico je wil nemen. Maar om kans te maken op een mooi rendement is risico nemen haast onvermijdelijk, nu de rente op veilige obligaties laag en steeds vaker negatief is.

    Ook wie zijn opgebouwde kapitaal wil omzetten in een uitkering, wacht een tegenvaller. De rente van dat moment bepaalt de hoogte van de maandelijkse uitkering.

    De rente is verlaagd omdat de inflatie gevaarlijk laag zou worden. Maar de vraag is of dat zo problematisch uitpakt als werd gevreesd

    Wie zich dat kapitaal bijvoorbeeld via een bankspaarrekening in vijf jaar tijd laat uitkeren, kan daar nu een rente bovenop krijgen van 0,3 procent, zegt financieel adviseur Jan Zwiers van verzekeringsgroep VMD Koster. „Dus met een kapitaal van 10.000 euro krijg je 2.000 euro per jaar, plus een heel klein beetje.” Voor een uitkeringsduur van 10 jaar is de rente 0,8 procent.

    Je kunt ook wachten met het omzetten van het kapitaal in een uitkering, in de hoop op een rentestijging. Maar dan moet je het risico accepteren dat de rente ook kan dalen.

    Illustratie Sjoerd van Leeuwen

  10. Waarom hebben centrale banken hun rentes zo sterk verlaagd?

    Een te hoge inflatie is onwenselijk. Maar dat geldt ook voor een te lage inflatie. Juist omdat de inflatie voortdurend onder de 2 procent blijft, worden maatregelen genomen om deze op te krikken. Renteverlagingen zijn daar een instrument voor.

    De ECB streeft naar een inflatie van „dicht bij, maar onder 2 procent”. Ook andere centrale banken houden een doel aan van rond de 2 procent. Maar vanzelfsprekend is dat doel allerminst.

    De ECB nam aanvankelijk van de Bundesbank, de Duitse centrale bank, de geldhoeveelheid als bepalende indicator over, naast de inflatie zelf. Maar in 2003 werd de geldhoeveelheid als leidende indicator goeddeels overboord gezet, na een evaluatie van het beleid. Een inflatie van vlak ónder de 2 procent werd het doel op de middellange termijn. Dat wil zeggen: de inflatie moet niet incidenteel op het gewenste niveau liggen, maar duurzaam.

    De ECB ging iets lager zitten dan andere centrale banken, waarvan zij de 2 procent had overgenomen. In 1988 was de Nieuw-Zeelandse centrale bank de eerste die een expliciete doelstelling formuleerde, van tussen de 0 en 2 procent. Daarmee wilde ze het publiek een meetbaar inflatiedoel voorhouden. Het beteugelen van de hoge inflatie in het land (destijds bijna 8 procent) had prioriteit.

    De Nieuw-Zeelanders boekten succes: de inflatie daalde tot 2 procent. Inflation targeting werd een mode in centralebankenland. En 2 procent werd een ankerpunt. Andere centrale banken, zoals de Bank of England en de Bank van Japan, kozen voor 2 procent. De Amerikaanse Fed omarmde het doel van 2 procent overigens pas heel recent, in 2012.

    Dat de Britten, de Japanners en de Amerikanen voor 2 procent kozen en de ECB opteert voor vlak ónder de 2 procent, laat al zien dat over het precieze optimale inflatieniveau geen consensus bestaat. De Nieuw-Zeelanders zien inmiddels een bandbreedte van tussen de 1 en 3 procent als acceptabel.

    Maar waarom niet gewoon nul procent? De belangrijkste reden die economen en centrale banken, waaronder de ECB, zelf noemen, is de noodzaak van een buffer tegen deflatie.

  11. Bestaat het deflatiespook, en moeten we er bang voor zijn?

    Deflatie is een negatieve prijsspiraal, waarbij prijzen over een breed front dalen. Dat gebeurde tijdens de Grote Depressie van de jaren 30. Economen vinden deflatie gevaarlijk. Consumenten stellen uitgaven uit, omdat ze weten dat ze in de toekomst goedkoper uit zullen zijn. Een recessie kan het gevolg zijn. Daarbij komt dat lonen niet direct mee omlaag gaan, zodat arbeid relatief duur wordt. Werkloosheid dreigt. En, zoals inflatie schulden uitholt (fijn voor de debiteur), zo blaast deflatie ze op.

    Veel van het extreme monetaire beleid wordt gevoerd om deflatie te voorkomen. Maar niet iedereen is even bang voor het deflatiespook. De Grote Depressie was verwoestend – maar is deflatie altijd slecht voor de economie?

    De Bank voor Internationale Betalingen (de ‘bank van centrale banken’) onderzocht het fenomeen in 2015. Volgens deze BIS moeten prijsdalingen van goederen en diensten worden gescheiden van prijsdalingen van onroerend goed en aandelen. Worden die twee laatste uitgefilterd, dan blijkt dat een prijsdaling van goederen en diensten (de zuivere ‘deflatie’) nauwelijks samenhangt met recessies of achterblijvende groei.

    Sommige economen zijn anno 2019 niet zo bevreesd voor deflatie, omdat dalende prijzen juist in deze tijd ook een uiting kunnen zijn van economische vooruitgang. Prijzen van goederen en diensten worden extra gedrukt door langetermijntrends als technologische innovatie, globalisering en toegenomen concurrentie door de online handel.

    Een kanttekening: er zijn ook economen die pleiten voor een veel hoger inflatiedoel, van bijvoorbeeld 4 procent. Dan zou bij een volgende recessie de inflatie, en dus ook de rente, veel verder mogen dalen voordat de nulgrens in zicht komt. De vraag is of de inflatie stabiel te handhaven is op zo’n relatief hoog percentage.

    Intussen lijkt de aankomende ECB-president, Christine Lagarde, aan de slag te gaan met het inflatiedoel bij de ECB. Zij wil net zo’n evaluatie gaan organiseren als in 2003, toen het inflatiedoel van ‘dicht bij, maar onder 2 procent’ centraal kwam te staan voor de ECB. Lagarde wil een „evaluatie van de monetaire beleidsstrategie”, zei ze laatst tijdens een hoorzitting in het Europees Parlement.

    Ook de Amerikaanse centrale bank, de Fed, houdt nu zo’n evaluatie. „De mondiale omgeving van lage inflatie en lage rentes leidt tot strategische vragen voor alle centrale banken”, zei Lagarde. „Opheldering” van het inflatiedoel hoort daar ook bij, zei ze. Maar dat de ‘heilige’ 2 procent bij de ECB (en bij andere centrale banken) echt gaat sneuvelen, lijkt onwaarschijnlijk.

  12. Hoe krik je de inflatie op met een negatieve rente?

    Via verschillende kanalen. Het klassieke, conventionele instrument waarmee centrale banken de inflatie proberen te beïnvloeden is de rente die de centrale bank zélf hanteert voor commerciële banken. Hoe lager de rente voor banken, hoe goedkoper ze geld kunnen lenen. Het idee is dat dit doorwerkt in de rentes die ze rekenen aan burgers en bedrijven. Zo wordt het aantrekkelijker voor burgers en bedrijven om geld te lenen voor consumptie en voor investeringen. Meer kredietverlening moet leiden tot meer economische groei en hogere lonen. De prijzen van goederen en diensten moeten dan ook gaan stijgen: inflatie.

    De ECB hanteert verschillende rentetarieven. De twee belangrijkste zijn: het hoofdtarief (de basisherfinancieringsrente) en de depositorente. Het hoofdtarief is bedoeld voor banken die (meestal voor een week) geld lenen bij de ECB. De depositorente is bedoeld voor banken die ’s nachts, na een handelsdag, overtollig geld stallen bij de ECB. Alleen de depositorente is negatief: -0,5 procent. Het hoofdtarief staat op 0.

    Het idee achter een negatieve depositorente is: banken ertoe bewegen zoveel mogelijk geld uit te lenen aan burgers en bedrijven, in plaats van het geld bij de ECB te parkeren. Want bij de ECB betálen banken nu rente, in plaats van die te ontvangen.

    Het negatieve depositotarief heeft nog een effect. Sinds enkele jaren geeft de ECB speciale langetermijnleningen uit voor banken – nóg een instrument om de kredietverlening aan te jagen. Banken die het geleende geld boven een bepaalde drempel doorlenen aan burgers en bedrijven, mogen bij de ECB lenen tegen het depositotarief. Omdat dit tarief negatief is, krijgen de banken geld toe van de ECB. Ook hier weer geldt de gedachte: hoe meer kredietverlening, hoe meer economische groei, hoe meer inflatie.

  13. Heeft al dat spectaculaire monetaire beleid wel effect?

    Als je puur naar het inflatiecijfer kijkt, dan moet het antwoord zijn: nee. Gemiddeld lag de inflatie in de eurozone de laatste vijf jaar op 0,9 procent. Hoe je het inflatiedoel van ‘dicht bij, maar onder de 2 procent” ook interpreteert, dat doel is niet gehaald. Kijk je naar de actuele ontwikkeling, dan is het beeld niet veel beter. De inflatie daalt sinds eind vorig jaar en ligt nu rond de 1 procent. Uit de eigen prognoses van de ECB blijkt dat het inflatiedoel ook de komende twee jaar niet binnen bereik is.

    Betekent dit dat het ECB-beleid geen invloed op de inflatie heeft? Zo ziet de centrale bank het zelf niet. Ze zette de voorbije jaren zwaar geschut in: massaal kocht ze staats- en bedrijfsleningen op (bijna 2.600 miljard euro sinds begin 2015), maakte de rentes ultralaag (0 procent voor banken die op de korte termijn lenen bij de ECB, minus 0,5 procent voor banken die geld stallen bij de ECB) en bood extreem goedkope langetermijnleningen aan (met een negatieve rente).

    Al die maatregelen hebben de inflatie doen oplopen met zo’n 0,5 procentpunt per jaar in 2017 en 2018, toonde ECB-hoofdeconoom Philip Lane laatst in een presentatie. De bijdrage aan de groei van het bbp van de eurozone zou nog groter zijn: zo’n 1 procentpunt per jaar. ECB-chef Mario Draghi noemt al jaren vergelijkbare getallen.

    Nogal wat economen zijn sceptisch over deze claim; er is geen parallelle wereld waarin de maatregelen niet getroffen zijn, dus vergelijken is moeilijk. Klaas Knot, de president van De Nederlandsche Bank, zei er in 2016 over: „het eerlijke antwoord is: we weten het gewoon niet.”

    Andere studies laten een gemengd beeld zien. De Franse centrale bank neemt een groter effect waar op de inflatie dan de ECB. Maar het Centraal Planbureau kwam in een ontnuchterende studie vorig jaar tot de conclusie dat de effecten van het onconventionele ECB-beleid op de inflatie in het eurogebied „niet significant” zijn.

    We weten, kortom, niet zeker of het beleid effectief is.

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie NRC Vandaag: Let op - sparen kost geld

U kunt zich ook abonneren via Apple Podcasts, Stitcher, Spotify, Castbox of RSS.