Museumhoogleraar Pieter ter Keurs bij de tempel van Taffeh in het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden.

Foto Merlijn Doomernik

‘Musea schipperen tussen identiteit bevragen en bevestigen’

Pieter ter Keurs, hoogleraar musea, collecties en samenleving Erfgoed en musea geven bevestiging aan de identiteit. „Tegelijk zijn musea er niet om vastgeroeste ideeën te bevestigen.”

Het komt niet elke dag voor dat een beleidsvoornemen van een lokaal museum leidt tot landelijke ophef, maar toen het Amsterdam Museum drie weken geleden aankondigde de term ‘Gouden Eeuw’ niet langer te gebruiken, waren de poppen aan het dansen. Iedereen leek een mening te hebben over deze beslissing, inclusief premier Rutte, die het „onzin” vond.

Voor Pieter ter Keurs, op 1 september begonnen als hoogleraar musea, collecties en samenleving bij de Universiteit Leiden, was het plan van het museum een mooie illustratie van het feit dat musea al langer proberen een alternatief verhaal te vertellen om daarmee toegankelijker te worden. „Ik heb zelf onderzoek gedaan naar het beleid op dit gebied van Leidse musea in de negentiende eeuw. Daarbij kwam ik een brief tegen van een Leidse directeur die een Britse collega vroeg hoe hij zijn museum aantrekkelijker kon maken voor arbeiders. Die kwamen niet, ondanks dat ze om de hoek woonden. Hij vond dat óók zij zich welkom moesten voelen.”

Toen ik na mijn studie niet meteen werk kon vinden, heb ik gewerkt als nachtwaker

 

Ter Keurs is zijn hele leven werkzaam geweest in musea. Dat begon tijdens zijn studie antropologie in Leiden, waar hij stage liep bij het Museum Volkenkunde. „Toen ik na mijn studie niet meteen werk kon vinden, heb ik daar gewerkt als nachtwaker. Er stonden indertijd nog mummies in dat museum, dus daar liep ik iedere nacht langs op mijn ronde. Ik moest inklokken om te bewijzen dat ik er echt geweest was, sjoemelen kon niet.”

Hierna bekleedde hij diverse posities binnen het museum – onder meer als conservator en lid van het managementteam – voordat hij in 2009 overstapte naar het eveneens Leidse Rijksmuseum van Oudheden, waar hij hoofd collecties en onderzoek werd. Tegelijk was Ter Keurs bijzonder hoogleraar aan de universiteit, een aanstelling die nu is omgezet in een regulier professoraat. Dat betekent het einde van zijn directe betrokkenheid bij het dagelijkse reilen en zeilen van een museum.

Bent u zelf ook wel eens verzeild geraakt in zo’n controverse als nu het Amsterdam Museum?

„Ja, zij het niet van deze heftigheid. Bij het Rijksmuseum van Oudheden besloten we in 2016 de mummie van een naakt jongetje niet langer tentoon te stellen, omdat we vonden dat dit niet meer door de beugel kon. We hadden ons afgevraagd: was die mummie wel écht onderdeel van het verhaal dat we wilden vertellen, of lag hij daar om de show te stelen? Daar gaan musea nu veel voorzichtiger mee om.

We besloten de mummie van een naakt jongetje niet langer tentoon te stellen

 

„Nogal wat mensen waren teleurgesteld over deze beslissing. We kregen een mail van een boze bezoeker die schreef dat hij niet wilde dat het museum en de conservatoren beslisten wat hij wel en niet mocht zien. Dat was opvallend, omdat musea daarover natuurlijk constant besluiten nemen. Wat blijft in het depot en wat leg je in de vitrine – en hoe presenteer je het dan?”

Klopt het dat musea de laatste tijd vaker verzeild raken in ethische en politiek heikele kwesties, over bijvoorbeeld het koloniale verleden?

„Dat lijkt misschien zo, maar vergeet niet dat politiek altijd een rol heeft gespeeld in musea, al hadden we dat vroeger misschien minder in de gaten. De manier waarop je dingen selecteert, kwalificeert en beschrijft, is een politieke daad. Een voorbeeld: bij veel artefacten van Volkenkunde werd indertijd vermeld dat die ‘door militairen verzameld’ waren. Dat is nogal een eufemisme als je bedenkt dat je het soms hebt over langdurige koloniale oorlogen. Daar moet je duidelijk over zijn.”

Musea streven ernaar meer toegankelijk te worden voor mensen met een niet-westerse achtergrond. Maar is het publiek niet altijd al een slechte afspiegeling geweest van de samenleving? Laagopgeleide mensen komen er ook minder dan hoogopgeleiden.

„Ja, en daar zit men al eeuwen lelijk mee in zijn maag, zoals uit de brief van die Leidse museumdirecteur blijkt. De meeste musea ontstonden in de negentiende eeuw, toen de turbulentie van de Franse Revolutie nog vers in het geheugen lag. Het idee was dat je het volk kon vormen tot goede en tevreden burgers als je hen in contact bracht met kunst en cultuur. Het museum als vaccinatie tegen de revolutie dus.

„Aanvankelijk geloofde de Nederlandse staat daar ook in, maar toen bleek dat de bevolking hier wat minder opstandig was, verdween medio negentiende eeuw de belangstelling van de overheid voor musea – en daarmee het budget. Nederlandse musea keerden zich toen decennialang naar binnen toe. Pas vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw kwamen er educatie-afdelingen in een aantal Nederlandse musea – én daarmee het streven ook mensen te bereiken die niet van zichzelf naar binnen komen.”

Pas vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw kwamen er educatie-afdelingen

 

Gaat dit streven niet uit van een soort culturele hiërarchie? Als mensen tevreden zijn met het kijken van tv-series of een bezoekje aan de Toppers, is dat toch ook prima?

„Het idee dat iedereen zou moeten kunnen genieten van, bijvoorbeeld, prachtige Romeinse beelden is een beschavingsideaal waar ik nog steeds achter sta. Je leven is rijker met een museumjaarkaart.”

Musea willen mensen niet alleen laten genieten, ze willen hen ook iets leren.

„Zeker, het is belangrijk dat mensen weten dat de Gouden Eeuw ook schaduwzijden had. Musea zijn er niet om vastgeroeste ideeën te bevestigen.”

Moeten musea niet opletten dat ze dan een soort levertraan worden: goed voor je, maar niet echt prettig om te consumeren?

„Ik vind dat musea de taak hebben mensen af en toe op het verkeerde been te zetten. Ja, een bezoek aan een museum moet impact hebben vanwege de prachtige dingen die er te zien zijn, maar daarnaast moet je bezoekers ook vertellen dat sommige dingen anders zitten dan ze altijd hebben gedacht. Dus je kan een tent laten zien op een tentoonstelling over Indianen, maar dan moet je er wel bij vertellen dat de meeste oorspronkelijke bewoners van Amerika niet in zo’n wigwam leefden.

„Aan de andere kant: het is goed dat we zaken bevragen, maar we kunnen niet blijven deconstrueren. Erfgoed en musea zijn er ook voor om een zekere helderheid te bieden, zodat bezoekers denken: oh ja, dat is mijn identiteit. Er is niets mis met zo’n gevoel. Mensen hebben behoefte aan zekerheid, te veel dingen ter discussie stellen, leidt tot vervreemding.

„Tussen deze twee zaken – educatie en bevestiging – voeren musea hun ingewikkelde balanceer-act op.”