Mathieu van der Poel heeft adaptatie tot kunst verheven

WK wielrennen Mathieu van der Poel is zondag de grote favoriet voor de wereldtitel. Hij excelleert in drie (fiets)sporten. Hoe kan dat?

Mathieu van der Poel onderweg in de Tour of Britain, die hij eerder deze maand op zijn naam schreef.
Mathieu van der Poel onderweg in de Tour of Britain, die hij eerder deze maand op zijn naam schreef. Foto Alex Whitehead/SWpix/HH

Geef hem een fiets, en hij wint. Zo simpel is het de laatste tijd. Maakt niet uit of er dikke banden onder zijn frame zitten, of juist smalle, of hij door de modder moet, of juist lang rechtdoor. Mathieu van der Poel (24) behoort in drie fietssporten tot de wereldtop: veldrijden, mountainbiken en wielrennen. In de eerste is hij al ’s werelds beste, in de laatste kan hij dat worden, zondagmiddag in Yorkshire. Het zou een unieke prestatie zijn. Wat maakt hem bijzonder?

Laten we eerst vaststellen dat de jongste zoon van de beroemde fietsfamilie Van der Poel een gouden genencombinatie heeft. Opa aan moeders kant Raymond Poulidor won de Tour net niet, en pa Adrie was een van de beste klassiekerrenners én veldrijders van zijn generatie.

En dus was Mathieu er vroeg bij. Toen hij vijf was en net zonder zijwieltjes door het bos achter het ouderlijk huis in Kapellen (bij Antwerpen) kon ploeteren, deed hij al mee met veldritten – met als inzet een zak snoep, die hij vaak won.

Jarenlang bleef hij er ook naast voetballen, en niet onverdienstelijk. Van der Poel werd gescout door Willem II, maar koos als tiener toch voor de sport waarmee hij was opgegroeid.

Soortgelijk is de achtergrond van die andere wielergrootheid in wording. De Belg Remco Evenepoel (19) speelde in de jeugd van PSV en Anderlecht, belandde op de bank en besloot de sport van zijn vader te gaan beoefenen. Woensdag werd hij tweede op het WK tijdrijden, als jongste ooit.

Het wondervoorjaar van Mathieu van der Poel: ‘Als hij de finish ruikt groeit hij boven zichzelf uit’

Decennia werd in de topsport gedacht dat verregaande specialisatie een garantie tot succes is. In 2008 introduceerde de Canadese schrijver Malcolm Gladwell de befaamde 10.000-uurregel, die suggereert dat het tienduizend uur kost om een handeling (of sport) tot in de perfectie te beheersen, plus talent uiteraard. Maar daar komt men mondjesmaat van terug. Er is tamelijk veel onderzoek dat juist het tegenovergestelde bewijst, net als er sporters zijn die de absolute top halen omdat zij in hun jeugd een hele andere sport beoefenden. Op latere leeftijd zijn het die atleten die zich vaak onderscheiden.

Catcher Cruijff

Van Zlatan Ibrahimovic is bekend dat hij in zijn tienerjaren moest kiezen tussen voetbal en taekwondo. Beide beoefende hij op zeer hoog niveau. En zie de acties waarmee hij binnen de lijnen zo vaak clubheld wordt; weinig voetballers die met taekwondo-achtige trappen kunnen scoren, of überhaupt op het idee komen het been zo hoog te heffen.

De voorbeelden van multidisciplinair geschoolde toppers zijn legio: Johan Cruijff was catcher in het honkbal en gaf aan in spelsituaties beter te hebben leren anticiperen, Johan Neeskens leerde in dezelfde sport slidings maken, en Jari Litmanen wist als voetballer door zijn ijshockeyachtergrond uit duels blijven. Tennisster Kiki Bertens werd weerbaarder dankzij bokstrainingen, zegt haar conditietrainer Errol Esajas. „Daarna durfde ze veel meer voor een bal te gaan.”

Al in de jaren negentig begreep René Wormhoudt, toen fysiotherapeut bij Ajax, dat voetballers beter werden als ze zich niet alleen op voetbal richtten. Zelf judode hij, hij basketbalde twee keer in de week, en hij schaakte. Op het veld stond hij stabieler op zijn voeten, hij prikkelde zijn spelinzicht en hij leerde de kracht van een tegenstander in zijn voordeel te gebruiken. Wormhoudt introduceerde judotraining bij Ajax, en is nadien zijn eigen methode gaan ontwikkelen; het Athletics Skill Model, waarmee hij tegenwoordig sportbonden maar ook basisscholen probeert te overtuigen van het feit dat multidisciplinair bewegen eigenlijk alleen maar voordelen heeft.

Fris door afwisseling

Sporters worden minder eenzijdig belast en raken minder snel geblesseerd, ze ontwikkelen creativiteit, en ervaren vaak meer plezier. Van der Poel heeft gezegd dat hij er niet aan moet denken alleen ellenlange duurtrainingen op zijn racefiets te moeten doen. Afwisseling houdt hem fris.

Hoewel de sporten die Van der Poel beoefent op elkaar lijken, zijn ze verre van hetzelfde. Wie ooit op een crossfiets, mountainbike en een racefiets heeft gezeten weet dat. Mountainbiken vereist stuurmanskunst, explosiviteit, coördinatie, durf. Op een racefiets gaat het veel meer om duurvermogen, maar komt explosiviteit weer van pas in een eindsprint. In een veldrit van een uur komen beide werelden samen.

Doordat Van der Poel telkens van fiets en daarmee van positie en ondergrond wisselt, en veel van zijn fysieke systemen – spierkracht, duurcapaciteit van longen en hart, het centrale zenuwstelsel – prikkelt, leggen zijn lichaam en brein nieuwe verbindingen aan. „Hij heeft aanpassingsvermogen tot een kunst verheven”, zegt Wormhoudt. „En daarmee onderscheidt hij zich. Hoe meer vormen van bewegen een sporter beheerst, hoe beter. Mensen zijn geboren aanpassers.”

Geert Savelsbergh, hoogleraar bewegingswetenschappen aan de VU en ook betrokken bij het Athletics Skills Model, noemt dat het „adaptatievermogen van de mens”. Uitdaging zorgt voor ontwikkeling. „Er is veel wetenschappelijk bewijs dat het belang van differentieel [gevarieerd, red] leren onderstreept. Een brein of een lichaam wordt dankzij natuurlijke adaptatie onbewust beter.”

Wormhoudt en Savelsbergh proberen hun methode te verspreiden, maar stuiten op weerstand bij sportbonden. In Japan en Engeland is animo, in Nederland nog weinig. Het blijkt moeilijk te geloven dat een tennisser beter kan worden als hij ook badmintont, dat een rechtshandige hockeyer completer wordt door ook af en toe linkshandig te trainen.

Laat ze zondag naar het WK wielrennen kijken. De grootste kanshebbers op de titel zijn oud-voetballers, veldrijders en mountainbikers.