Lehmann aan de Amstel

Het was 28 februari 1966: Poëzie Carré. Bij binnenkomst kreeg je van Simon Vinkenoog een narcis in je knoopsgat en daarna traden in levende lijve vijfentwintig dichters op, onder wie Gerard Reve (in tropenpak), Johnny van Doorn („kom nou toch es klaar, klootzak”), Adriaan Roland Holst (met wandelstok), Jules Deelder (waar blijft de P.C. Hooft Prijs?), Cees Buddingh (Heinz sandwich spread) en Hans Verhagen (Rozen & Motoren).

Maar Louis Lehmann met zijn mondharmonica en bijbehorende danspassen stal de show en vooral, meen ik me te herinneren, met het gedicht ‘Het laatste woord in blues’: ‘Het is troosteloos/ te kijken naar een waslijn/ met een oneven aantal sokken.// En soms, als het vochtig weer is/ hangen ze er/ dagenlang, dagenlang.’

Zoals veel dichters was Lehmann een heel nieuw leven begonnen in het ‘tijdschrift voor teksten’ Barbarber. In zijn debuutbundel, Subjectieve reportage uit 1940, ging het anders. Dit is zijn ‘Signature tune’: ‘Rijdt u maar aangenaam door mijn geschriften,/ mijn fiets is de getuige van mijn driften.// Dat zint hem niet, hij zint op wraak en/ hij wappert met mijn haar en regenjas,/ de laatste liefst tussen zijn spaken.// Hij wenst, als blijkt uit zijn langdurig heng’len,/ zich even vurig met zijn buurfiets te verstreng’len/ als ik met haar erop, als ’t mooglijk was.’

Louis Lehmann zag eruit als een heer die betere tijden heeft gekend, maar daaronder niet lijdt. In de binnenstad kon je hem overal tegen het lijf lopen en vaak had hij dan de fiets uit ‘Signature tune’ bij zich, waarop hij allerlei gevonden voorwerpen vervoerde.

In Goede papieren, het blad van het Letterkundig Museum, berichtte Alida Beekhuis, zijn geliefde, enkele jaren terug over de periode 1961-1977 toen zij op Amstel 9 een spartaanse kamer bewoonden. Tochtende ramen, geen gas, geen stroom, geen meubelen, maar Lehmann vond een houtkacheltje, waarvoor hij op straat het hout sprokkelde. Op een keer kwam hij thuis met een kruiwagen zonder wiel die hij te mooi vond om te verstoken en als luie stoel in gebruik nam. Adriaan Roland Holst heeft er nog in gezeten. Op feesten kon je Lehmann zien dansen, zoals alleen hij dansen kon en altijd een oog voor vrouwelijk schoon.

Dit is uit zijn ‘Ode aan Amsterdam’: ‘Stad van honderden vergeten en onvergeten momenten:/ ochtend op een bordes. De blauwe westertoren over een Parelgrijze Prinsengracht./ (…) Nevels om de Magere Brug, gezien van de Blauwbrug./ Haastige wolken die springen uit de dakgoten voor hun tocht over de Amstel.’ En dat is pas het begin van het gedicht.

Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.