Ellen Deckwitz

Foto Merlijn Doomernik

Ellen Deckwitz: ‘Ik stam af van een overlever’

Ellen Deckwitz In de dichtbundel over haar familie, laat Ellen Deckwitz zien hoe de trauma’s die haar grootouders opliepen in Indië doorwerken op volgende generaties. „Je moet leren verdragen wat er in je zit.”

Ellen Deckwitz (37), dichter en columnist, heeft een poëziebundel geschreven over haar familie en hoe angst generaties lang kan worden doorgegeven. De titel is Hogere natuurkunde.

Ze vertelt: „We stonden bij het graf van mijn oma en mijn moeder zei: ik heb geen idee wat ze in het kamp heeft meegemaakt. Ik zei: ze heeft je toch wel verteld over het moeras? De jappen zouden alle gevangenen het moeras in drijven en doodschieten, iedereen in paniek, en oma ging zitten voorlezen uit de bijbel.

En de troostmeisjes, heeft ze je nooit over de troostmeisjes verteld? Kortom, de hele cake- en koffieceremonie bestond uit het inlichten van mijn moeder over wat mijn oma was overkomen in Indië. Daarna volgden nog vele avonden en we ontdekten dat ik de legenda was van wat zich in mijn oma’s hoofd had afgespeeld. Het verraste me niet. Tijdens mijn studie heb ik vakken koloniale geschiedenis en Indische letteren gevolgd, en ik was bekend met het fenomeen Indisch Zwijgen. Indië-gangers die na de oorlog naar Nederland terug moesten hielden tegen hun kinderen hun mond over wat daar gebeurd was. Maar mijn grootmoeder vertelde haar mij, haar kleinkind, er wel over.”

‘We woonden in Borne, een schattig dorpje in Twente, en oma woonde naast ons. Van de drie kinderen – ik heb een zus boven me en een broer onder me – was ik degene die de verhalen kreeg, misschien omdat ze het minst van mij hield. Ze vond me te druk, te eigengereid. Ik was de donkerste van haar kleindochters, de anderen waren blond, en blond was in haar ogen beter. Maar ik hield van haar en ik was veel bij haar. Als een katje dat telkens wordt weggeschopt zocht ik haar gezelschap, ook buiten de uren dat ze moest oppassen. Om met T.H. White te spreken: we hebben de neiging het beste van ons hart te geven aan de mensen die er het slechtst mee omgaan. Kwam ik van de wc af, lag ze op de vloer van de woonkamer, kunstgebit op haar onderlip, kwijldraden aan haar kin, dood. Moest ik haar met kusjes tot leven wekken. Bij Doornroosje of Sneeuwwitje is dat leuk, maar bij je oma? Ze föhnde mijn haar op de hoogste stand tot mijn huid begon te gloeien: zo voelde het om vijf uur in de brandende zon te knielen voor de Japanse vlag. Achteraf kun je het als preppen zien, voorbereiden op de boze buitenwereld. Elke man kan een verkrachter zijn. Elk moment kan het oorlog worden. Mijn oma was 20 toen Indië werd bezet, 21 toen ze in het kamp kwam. Met nine eleven was ik 19 en ik dacht: daar gaan we. Je ziet dat trouwens ook bij kleinkinderen van holocaustslachtoffers: weten waar je klaar voor moet zijn. Mensen zijn ongevaarlijk, tot ze honger hebben. Als je de keuze hebt tussen pepers en brood, kleintje, kies de pepers, want die zitten vol vitamine C en antibiotica. Schop lange mannen eerst tegen de knieën, dan heb je tijd om weg te komen.”

‘Voor deze bundel ben ik onderzoek gaan doen naar mijn oma’s familie, ik heb talloze interviews gedaan, en ik hoorde het gerucht dat mijn overgrootmoeder in Indië niet altijd een rechte schaats heeft gereden. En dat haar twee oudste kinderen, onder wie mijn oma, niet van mijn overgrootvader waren. En ja, als je de foto’s van die twee ziet: superdonker. De kinderen daarna: superblond. Er zijn familieleden die nu betwijfelen of we wel helemaal wit zijn, anderen zijn er boos over. Het ligt allemaal heel gevoelig. Nu mijn bundel klaar is, ga ik uitzoeken of het waar is. De genentest is net thuis afgeleverd, morgen gaat er wat wangslijmvlies naar Amerika. Ik ga uitzoeken wat mijn overgrootmoeder heeft uitgespookt en dan ga ik een nieuw boek schrijven. Had je dat gedicht gelezen waarin mijn overgrootmoeder haar eerste kind baart? Wat ik er niet in kwijt kon, maar wel weet: dat ze tot dat moment dacht dat baby’s uit de navel kwamen.”

‘In den beginne waren er genen / die in me galmden. / Die ervoor zorgden dat mijn moeder / me zonder handleiding in elkaar kon zetten. Zo begint een ander gedicht, ja. Ik ben me er zeer van bewust dat via de genen ook ervaringen worden overgeleverd, en herinneringen. Een betrekkelijk nieuw inzicht, dat er niet was toen ik, voordat ik aan Nederlands begon, psychologie studeerde. We werden vooral gevormd door nurture, opvoeding. Maar nu – ik las over een onderzoek naar het doorgeven van angst bij muizenmannetjes en ik schrok behoorlijk. De mannetjes werden gepavlovd met elektroshocks bij de geur van kersenbloesem en daarna werd er sperma afgenomen. Dat werd ingebracht bij muizenvrouwtjes die de mannetjes nooit gezien hadden. En de muizenbaby’s die daarna geboren werden hadden geen enkel contact met de muizenpapa’s. Maar ze hadden dezelfde panische reactie bij de geur van kersenbloesem. Muizen zijn geen primaten en wij zijn geen muizen, maar toch. Oorlog is zo ingrijpend. Als je een land of een volk de oorlog verklaart, ben je bereid mensen tot ver in hun nageslacht te schaden, iets wat men in vroeger tijden natuurlijk al wist. De Bijbel: door handelingen van je voorouders kun je tot in het derde en vierde geslacht vervloekt worden. Als angst zo sterk genetisch bepaald is, denk ik niet dat je er met psychotherapie vanaf komt. Je zult moeten leren verdragen wat er in je zit. Hooguit kun je de scherpste randen eraf halen met medicijnen.”

‘Tegelijkertijd probeer ik in mijn bundel te laten zien dat je door overgeleverde angsten in noodsituaties een streepje voor kunt hebben. In het Damgedicht laat ik tumult uitbreken en dan zijn het de beschadigde mensen die fluitend hun weg vinden, terwijl de veiliggehechten het onderspit delven. Ik stam af van een overlever. Mijn oma suggereerde wel eens dat ze over lijken was gegaan. Ze stal van de behoeftigen. Ze trok de sokken van groen aangelopen voeten om ze te ruilen voor eten. Mijn opa, dat is nog een ander verhaal, want mijn opa – vind je het goed dat ik even een stuk koek pak? Het zijn zulke heftige dingen. Mijn opa was 18 toen hij in het kamp kwam. In de bundel is hij 15, omdat ik zelf 15 was toen mijn oma me de ergste dingen begon te vertellen. Na de oorlog werd hij elke nacht schreeuwend wakker en hij vertelde nooit waarom, maar mijn oma zei dat zij het wel wist. In het kamp zat hij tussen allemaal vreemde mannen en hij was klein en zwak, net een meisje. Hij was elke nacht gebruikt als een meisje. Je denkt: kutjappen. Maar het waren niet de jappen. Het waren de andere geïnterneerden. Op zijn vierenveertigste is opa overleden aan een hartstilstand.”

‘Mijn eerste crash had ik toen ik 22 was, bij de tweede was ik 28. Ik zit nu al tien jaar op prozac, wat geweldig voor me werkt. Laatst heb ik met mijn ouders gevierd dat ik vijftien jaar uit de kist was. Die term gebruiken we in mijn familie voor het moment waarop we aan de buitenwereld durven toe te geven dat de somberheid hardnekkiger is dan af en toe een dipje. Vijftien jaar geleden stond ik bij hen op de stoep en wilde dood. Mijn ouders hebben me toen fantastisch opgevangen, terwijl daarvoor – mijn moeder kon best hard zijn. Depressie bestond niet. Ziekte bestond niet. Dat ze dit bij mij konden erkennen, fantastisch. De grap is, pas vanaf het moment dat ik door mijn ouders gered moest worden… eh… Sorry, ik ben even kwijt waar ik heen wilde.” Ze denkt na. „In elk geval, ik ging aan de prozac en in de eerste zes weken ben je dan downer dan voorheen, want je serotonineproductie wordt gehalveerd, ten einde die weer aan te zwengelen, en dat is de periode waarin mensen zichzelf wel eens van het leven beroven. Mijn ouders hebben als leeuwen over me gewaakt terwijl ik in bed lag, heel relaxed, en daardoor, dat wilde ik zeggen, konden we opeens veel vrijer en opener met elkaar praten. En toen mijn oma overleed, in 2014, lag het helemaal open.”

‘We noemden haar de generaal en we waren allemaal een beetje bang voor haar, zelfs mijn vader, die voor niemand bang is. Hij is 1 meter 90, zij was 1 meter 50, en toch: bang. Na haar dood konden we ademhalen. We konden zeggen dat we zo goed met die en die persoon hadden gepraat zonder te horen: vertrouw hem niet, hij is vast achterbaks. We konden elkaar vertellen hoeveel last we van haar gehad hadden. Dat klinkt heel kut, over de doden niets dan goeds, maar ze zei zelf ook alleen maar kutdingen over de doden. We hebben het geleerd van de beste.” Ze lacht. „Ik heb vroeger wel eens met mijn ouders overhoop gelegen, maar sinds de dood van mijn oma zijn ze mijn vrienden.”

Mensen zijn ongevaarlijk, tot ze honger hebben

‘In mijn bundel heeft ze benen van staal, een borstkas van titanium, het immuunsysteem van een rioolwerker en het geweten van een beurshandelaar. En ja, ik maak haar drie meter lang, al was ze dus een dwerg, een dwerg met machetes. Ze was trots op haar huid, die in de zon nooit bruin werd. Maar of ze echt zo blanda was als ze dacht, dat moeten we nog zien. Je kon met haar heel goed kletsen over de kwalen van bekende vorsten uit het verleden. Ze wist precies wie aan welke seksueel overdraagbare aandoening leed. Joséphine de Beauharnais, de eerste vrouw van Napoleon, had flaporen. Toen Napoleon haar leerde kennen, had ze rotte voortanden. Ze was opgegroeid op een suikerplantage. En wist jij dat Karel V jicht had? Altijd inzoomen op de zwaktes van mensen. Met haar kinderen ging ze kil om. Haar jongste zoon mocht niet aan haar graf komen. Met haar andere dochter had ze een moeizaam contact. Tegen mijn moeder zei ze dat ze nooit kinderen had gewild, maar ja, in haar tijd waren daar nog geen pillen voor. Kwam mijn moeder weer bij mij uithuilen. Ze wilde mijn oma beschermen. Haar rug is gekromd als een vraagteken van het raden naar alles wat haar bespaard werd doordat oma er niet met haar over wilde praten. En ze bleef maar haar best doen om haar gelukkig te maken. Je bent zo alleen in je grote huis, het huis naast ons is vrij, kom toch naast ons wonen. Ik was zes.” Ze gooit haar armen in de lucht. „Jèh, papa, mama, dankjewel! Maar mijn moeder kón mijn oma natuurlijk niet troosten.”

‘Thuis zijn ze nogal waaks als het in mijn columns over mijn ouders en mijn zus en broer gaat. Ik kan lang niet alles schrijven wat ik wil, en wat ik over hen schrijf, moet ik altijd eerst aan hen voorleggen. Mijn zus is in mijn columns heel openhartig over haar liefdesleven, dat is waar, zo openhartig dat mensen me wel eens vragen of ik haar niet verzonnen heb. Mijn zus en mijn cavia’s, bestaan ze eigenlijk wel? Ja, mijn cavia’s bestaan en mijn zus bestaat, al heb ik ook twee halfzussen, dochters uit mijn vaders eerste huwelijk, en projecteer ik soms bepaalde karaktereigenschappen van hen op haar. Mijn neefjes bestaan ook, ze zijn in werkelijkheid alleen wat ouder en voor hen put ik soms uit mijn dagboeken. Dat ik mijn zus laatst in een column liet masturberen was mede om mijn ouders een hak te zetten. Mijn ouders zijn nogal vrij als het om seks gaat en het kwam voor dat ze op de bank met elkaar bezig waren als mijn broer en ik ’s nachts na het uitgaan thuiskwamen. Totale horror. Op een ochtend zaten we aan de keukentafel en zei mijn broertje voor de grap: ik heb nog maar twee keer gemasturbeerd vanochtend. Mijn moeder sloeg met haar hand op tafel en riep: dat zég je toch niet.”

‘Mijn ouders voelen als mijn vrienden, maar sinds de dood van mijn oma ook wel een beetje als mijn kinderen, zeker nu ze ouder worden. Het is genegenheid, maar het komt ook door hun toegenomen kwetsbaarheid. Mijn vader is 81 en heeft een hartinfarct gehad. Mijn moeder is 67 en gevoelig. Ze heeft haar hele leven alle klappen van mijn oma lopen opvangen, ook letterlijk, want ze kreeg er vroeger thuis behoorlijk van langs. Mijn oma vertelde me daar wel eens over. Als ik je moeder naar bed bracht waren mijn handen soms gevoelloos van het slaan. Maar ze gaf geen kik! Oma, hoor je wat je zegt? Ze was trots omdat haar kind stil bleef, hoe hard er ook geslagen werd. Huilende kinderen in het kamp, honger, buikpijn, ziek, daar hadden de jappen een hekel aan. Die kinderen waren een gevaar. Dus mijn moeder mocht geen geluid maken. Oma was zo misofoon als de pest. Misantroop was ze ook, een mensenhater. En misogyn. Ze was misschien ook wel misogyn.” Een vrouwenhater. Ze lacht weer uitbundig. „Mijn oma was alles met mies.”

Ellen Deckwitz: Hogere natuurkunde. Uitgeverij Pluim, € 21,99