Een plant helemaal gek maken

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen.

Deze week: een pervers experiment met een reumaplant.

Onderstebovenstek, met de oude groeitop rechts.
Onderstebovenstek, met de oude groeitop rechts. Foto Karel Knip

Hallo allemaal, ik ben Iris, zegt een mevrouw in een bloemetjesjurk die Iris heet. „Hallo allemaal, ik ben Iris van Mama Botanica en ik leer jullie graag meer over plantjes.” Ze onderwijst ons zo graag dat ze er een website voor heeft ingericht.

Iris duikt op in de Google-lijst als je de termen ‘citroengeranium’ en ‘stekken’ intikt. Tik je nog een keer dan vertelt zij hoe je een citroengeranium stekt. De takken die je van een te ver uitgegroeide plant had afgehaald kort je in tot stukken van 10 centimeter, daar trek je de onderste bladeren vanaf en dan zet je ze in water. De natuur doet de rest. Je moet wel geduld hebben, zegt Iris.

Dat is waar. De in april doeltreffend ingekorte stengels van de AW-citroengeranium (Pelargonium graveolens) hebben nog steeds geen wortels. Anderzijds wortelden de stekken van de reumaplant-uit-eigen-huiskamer die de bloemenwinkel in de Jan van Galenstraat spontaan meegaf binnen een week. Ze groeiden uit tot venstervullende planten waarvan inmiddels een zekere dreiging uitgaat. Hier moest wel een ingreep met groeistoffen aan zijn voorafgegaan, maar: nee, zei de mevrouw van de bloemenwinkel, ik verkoop wel stekpoeder maar ik gebruik het zelf nooit.

Dezelfde toverkracht

Een busje stekpoeder dat maar een paar euro kost laat je niet staan. Het busje van de Van Galenstraat komt van Pokon en straalt dezelfde toverkracht uit als destijds Buisman’s GS. Wat van zichzelf niet wortelen wil wortelt vanzelf als het even door het stekpoeder wordt gehaald, dat is de geest.

Het poeder bestaat voor 0,25 procent uit indool-3-boterzuur (IBA) en voor de rest uit talk, een gangbaar verdunningsmiddel. Vroeger, toen het nog Rhizopon heette, bestond de actieve component uit indool-3-azijnzuur (IAA). Het zijn beide groeistoffen, nee: plantenhormonen, met een vergelijkbare werking. Rhizopon was er al eind jaren dertig en werd toen geproduceerd door de Amsterdamsche Chininefabriek (ACF). Of die het goedje isoleerde uit het kweekmedium van gisten en schimmels of synthetiseerde volgens een route die in 1925 in Japan was ontdekt werd deze week niet duidelijk. Het laatste is het waarschijnlijkst.

Jonge grassprietjes

De ontdekking van het betreffende plantenhormoon is een verhaal apart. Het begint met Charles Darwin die een speciale lichtgevoeligheid bij jonge grassprietjes opmerkte. Kiemplantjes van allerlei grassoorten buigen naar het licht als ze van opzij belicht worden. Het effect komt van de buisvorminge schede, het ‘coleoptyl’, die het eerste blaadje omhult. De Hongaar Arpad Paal ontdekte (1914-1919) dat de lichtreactie wegvalt als je het topje van het coleoptyl afsnijdt en dat de reactie herstelt als je de top terugzet. De Deen Peter Boysen-Jensen sneed het topje af, zette het een tijd op gelatine en merkte dat ook het blokje gelatine de lichtreactie herstelde (1910-1913). De Nederlander Frits Went, promoverend in Utrecht, onderzocht coleoptylen van haver (Avena sativa) en concludeerde (1926) dat daar – vooral in het donker – een groeibevorderende stof gevormd werd. Hij noemde de groeipromotor auxine.

In de jaren erna werd het auxine op allerlei plaatsen aangetroffen: in stuifmeel, in jonge bladeren, in de groeitoppen van planten, in de kweekvloeistof van gisten en schimmels en ook, aardig genoeg, in menselijke urine. Rond 1933 rees het vermoeden dat het auxine identiek was aan de stof indool-3-azijnzuur en in 1935 wist de Amerikaan Kenneth Thimann dit te bevestigen.

De belangrijkste artikelen uit die periode staan nu op internet maar het is een onoverzichtelijk boeltje. Er ging veel mis. Preparaten waren niet zuiver, de test op aanwezigheid van auxine was grof, er waren verkeerde interpretaties en het was ook niet meteen duidelijk waar het nieuwe hormoon zoal aangreep. Het werd er niet beter op toen later andere plantenhormonen werden ontdekt waarmee interactie optrad.

Een rare kwestie

Er speelt een rare kwestie doorheen. De Utrechtse hoogleraar Fritz Kögl bestudeerde (1933-1944) de groeistoffen die zijn assistente Hanni Erxleben uit urine isoleerde en stuurde ze, desgevraagd, ook toe aan andere onderzoekers. Die maakten er vruchtbaar gebruik van. Achteraf is gebleken (zie ook Valse vooruitgang van Frank van Kolfschooten, 1993) dat Erxleben knoeide met haar resultaten en dat er in urine helemaal geen groeistoffen voorkomen. Vreemd is dat de urine-preparaten toch activiteit vertoonden.

Van belang is dat de auxinen (er zijn er méér, ook synthetische zoals IBA) de wortelvorming bevorderen en van invloed zijn op allerlei plantenfuncties: de vruchtvorming, de bladval en nog meer. De auxinen uit groeitoppen remmen het uitlopen van okselknoppen.

Tot zover dit stukje AW-onderwijs. We eindigen met een pervers experiment. De stekken van de reumaplant (Plectranthus fruticosus) wortelen zó makkelijk dat je je kunt afvragen of ze ook ondersteboven wortelen: dus of ze ook wortelen als je afgeknipte takken ondersteboven in het water zet (nadat je de groeitop had afgesneden om wateropname mogelijk te maken). ’t Is genoeg om zo’n plant helemaal gek te maken natuurlijk, de bladeren moeten zich omdraaien, sapstromen worden aangepast en van de weeromstuit gaan de okselknoppen uitlopen. Er ontstaat chaos. Maar het kán, er komen wortels en later ontwikkelt zich een gewone gezonde plant (als er geen bladluis verschijnt). Waarschijnlijk staat de plant er zelf ook van te kijken. Van praktisch nut is nog niets bekend.