Namen van links naar rechts: Cao Xuejun, Xie Yuanli, Ying Liren en Bai Qing

Foto Ruben Lundgren

Dit waren de jongens van Middelbare School Nummer 13

70 jaar Volksrepubliek China Vier vrienden zijn ongeveer even oud als de Volksrepubliek China, die komende maand 70 jaar bestaat. Ze blikken terug op hun leven in communistisch China. „Niemand van ons is verder gekomen dan de derde klas.”

De Volksrepubliek viert zijn 70-jarig bestaan op 1 oktober met een enorme militaire parade die alle eerdere parades moet doen verbleken. „En er rijden dan vast ook weer een paar militaire voertuigen mee uit de fabriek die ik zelf nog heb helpen bouwen”, zegt Ying Liren trots. Hij is geboren in 1950, en dus bijna net zo oud als de Volksrepubliek China zelf.

Op een zonnige dag in Beijing blikt hij samen met drie vrienden terug op hoe de grote ontwikkelingen in China zijn eigen leven hebben beïnvloed. De vrienden leerde hij kennen toen hij als 13-jarige jongen voor het eerst naar Middelbare School Nummer 13 in Beijing ging. Alle vier de vrienden zijn geboren in 1949 of 1950.

Jeugdfoto van drie van de vier schoolvrienden. Van links naar rechts: Xie Yuanli, Cao Xuejun, Ying Liren en een onbekende. Foto Ruben lundgren

„We hadden een geweldige tijd op die school”, zegt Ying. „We hadden allemaal een fiets, en op zaterdag trokken we erop uit naar plekken in de buurt van Beijing, zoals het Zomerpaleis”, zegt hij. „We speelden samen badminton, tafeltennis en volleybal en we leenden boeken van elkaar. Zo heb ik zo’n beetje de hele klassieke wereldliteratuur gelezen.”

Ying, nu een pezige oude man, moest na drie jaar, op zijn zestiende, van de middelbare jongensschool af. Hij werd naar de arme provincie Shaanxi gestuurd. „Daar hebben we met 1.500 jongeren uit Beijing vanuit het niets een complete vrachtwagenfabriek uit de grond gestampt”, vertelt hij trots. Een heel zware, maar ook mooie tijd. „We waren heel idealistisch, we gingen als gelijken met elkaar om. Ook je baas zei je gewoon de waarheid”, zegt hij met een zekere weemoed, want van dat idealisme en die gelijkheid vindt hij vandaag de dag in China niet veel meer terug.

Mao dacht dat China in oorlog zou komen met Rusland, en dat militaire fabrieken het veiligst in afgelegen gebieden in het Chinese binnenland gebouwd konden worden, waar ze beter verscholen zouden zijn tijdens een oorlog. Maar de oorlog kwam er nooit, en de vrachtwagens voor het leger die de fabriek bouwde, waren van inferieure kwaliteit.

Idealen

Later werkte Ying in Beijing voor een bedrijf met een buitenlandse partner. Dat gaf een heel ander gevoel. „Eerst werkte ik voor mijn land en voor mijn idealen. Daarna voor de kapitalisten”, zegt hij lachend.

Ying had liever helemaal nooit in een fabriek gewerkt. Hij wilde leraar worden, en dat had ook goed gekund als de Culturele Revolutie (1966-1976) er niet tussen was gekomen. In 1966 kwamen alle opleidingen in China stil te liggen, en pas in 1976 werd het reguliere onderwijs weer hervat. Voor Ying en zijn klasgenoten kwam dat te laat: ze waren inmiddels allang door de overheid tewerkgesteld. „Niemand van ons is verder gekomen dan de derde klas”, vertelt Xie Yuanli, de langste van vier klasgenoten. Later hebben ze nog wel cursussen en opleidingen gevolgd, maar van een reguliere universiteit is het niet meer gekomen.

Xie vond de Culturele Revolutie een verschrikkelijke tijd. „Toen ik op een middag uit school kwam, zat mijn oma een zwart lapje te borduren”, vertelt Xie. Met wit garen borduurde ze er „kapitalist” op. Niet omdat zij zelf dacht dat haar zoon een kapitalist was, maar omdat dat moest van de Rode Gardisten – groepen jongeren die zich op instigatie van Mao bezighielden met de vervolging van klassevijanden als kapitalisten en grootgrondbezitters. Zij eisten dat haar zoon openlijk toonde dat hij een kapitalist was.

De vader van Xie werd al sinds de oprichting van de Volksrepubliek verdacht van rechtse sympathieën, want hij had een vriend geld geleend voor het opzetten van een bedrijfje. Puur kapitalisme, vond men toen, ook al kwam dat bedrijf er nooit en kreeg zijn vader het geld niet terug.

Zijn vader moest het lapje elke dag om als hij naar zijn werk fietste. „Net een Jodenster”, zegt Xie. „Maar mijn vader wás helemaal geen kapitalist, hij was juist een fervent communist.” Ze mochten thuis niet eens tekenen met de pennen die zijn vader voor zijn werk in zijn borstzakje droeg. „Dat was staatsbezit, en daar moesten wij van afblijven.”

Xie heeft er moeite mee dat het zogenaamde kapitalisme van zijn vader zwaar werd afgestraft, maar dat het na de dood van Mao juist weer deugdzaam werd om rijk te worden. „Toen hebben mensen met banden met de Partij het staatsbezit naar zich toe getrokken. Ze deden alsof ze die bedrijven zelf hadden opgezet, alsof het hun privé-eigendom was”, aldus Xie. „Intussen zijn wij nooit echt gecompenseerd voor het bezit dat ons is afgenomen.”

Ying Liren
Foto Ruben Lundgren
Xie Yuanli
Foto Ruben Lundgren

Doodgeslagen

Ook klasgenoot Bai Qing, een man met opvallende flaporen en een moeilijk been, herinnert zich de Culturele Revolutie als een zwarte tijd. Als zoon van een arme arbeider had hij zelf de juiste klasse-achtergrond, maar hij zag ook hoe anderen werden vervolgd. Op een dag namen leerlingen een oude, dikke man mee naar school. Hij zou landeigenaar zijn, en daarmee van een verwerpelijke soort. „Die hebben ze over een tafel gelegd en met een riem en een bos elektrische kabels doodgeslagen.”

Leerlingen van de school moesten daar verplicht naar kijken. „Het duurde twee uur voordat die man echt dood was. Het regende. Toen ik later langsliep, lag hij in een plas water op de grond”, zegt Bai. Ook de anderen herinneren zich het voorval nog goed. „Wij waren de eerste school in Beijing waarop iemand werd doodgeslagen”, zegt Xie over die dubieuze eer.

De moord en de latere gewelddadigheden die de vrienden moesten bijwonen, hebben een diepe indruk gemaakt. Niet langer konden ze zonder meer geloven dat Mao altijd het beste met het volk voor had, of dat het altijd goed was om te doen wat anderen van je vroegen. Ze gingen vragen stellen. Was het allemaal wel zo correct wat de Communistische Partij van China deed?

In hun achterdocht en twijfel verschillen ze zowel van de generatie voor hen als van de generatie na hen. „In de ogen van mijn vader kon de CPC nooit iets fout doen, hoe slecht hij zelf ook werd behandeld”, vertelt Xie. Zijn vader had meegemaakt hoe de CPC van een verdeeld en verarmd land weer een zelfstandig en onafhankelijk China had gemaakt. Daar bleef hij de partij zijn leven lang dankbaar voor.

De kinderen van Bai en Xie groeiden net als die van Ying en Cao Xuejun op in een tijd van stabiliteit en ongekende economische groei. „Geen wonder dat die vooral trots en enthousiast zijn over wat de CPC in China heeft bereikt”, zegt de pezige Ying daarover. „Ze kennen de andere kant van de CPC niet.”

De studentenopstanden op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989 herinnert vooral Xie zich nog goed. Hij ging toen met een groepje van het werk naar het Plein om studenten ervan te overtuigen dat ze weg moesten gaan. „Die studenten waren zo naïef. Ze hadden geen idee tegen wie ze het eigenlijk opnamen”, zegt hij. „Dat is nu weer precies zo met de jongeren in Hongkong. Ze denken dat je de CPC op de knieën krijgt door een beetje te demonstreren en van alles te roepen. Maar dan onderschatten ze de CPC echt.”

De stevige Cao Xuejun is de enige van de vier mannen die nog werkt. Hij onderhoudt contacten met de overheid uit naam van bedrijven met buitenlandse partners die in China actief zijn. Hij heeft een achtergrond in hotelmanagement. Net als Ying werkte hij na zijn middelbare school in een militaire fabriek, waar hij tanks maakte. Anders dan Ying verlangt hij helemaal niet terug naar die tijd.

„Ik vond de tijd ná de dood van Mao veel mooier. Toen kreeg ik eindelijk de kans om eigen keuzes te maken”, vertelt Cao, die er van de vier het warmste bij zit, omdat hij ook investeerde in vastgoed. „Daarvoor had ik geen idee hoe mijn leven verder zou verlopen. Alles voelde heel onbestemd.”

„Ik ben lid van de CPC”, zegt Cao bijna verontschuldigend. „Niet om er zelf beter van te worden, maar om iets goeds te doen voor het land.” Dat is tegenwoordig vaak wel anders. Mensen worden vooral lid van de Partij om er zelf voordeel van te hebben. „Er zijn zelfs lelijke jongens die lid worden van de CPC omdat ze alleen zo aan een knappe vrouw kunnen komen”, zegt hij lachend.

Ook Bai is lid van de CPC. Ying zegde zijn lidmaatschap op. Xie heeft voor de eer bedankt. „Ik voel me niet thuis bij die groep, en als ik lid word, moet ik doen wat zij willen. Daar heb ik geen zin in.”

Bai was lange tijd belast met het wagenpark van het gemeentelijke bureau dat toezicht hield op de warenhuizen. Een stressvolle baan door de druk die hij voelde om mee te werken aan corruptie. „Dan kwamen ze bijvoorbeeld met rekeningen voor benzine. Ik wist dat ze die benzine al hadden betaald met benzinebonnen, dus ze wilden dubbel declareren”, vertelt Bai. „Als ik ernaar vroeg, zeiden ze dat ze het deden op verzoek van de partijsecretaris. Die stond boven mij. Moest ik dat dan weigeren?”

Cao Xuejun
Foto Ruben Lundgren
Bai Qing
Foto Ruben Lundgren

Schipperen

Hij is blij dat hij niet meer hoeft te schipperen en dat hij al bijna vijftien jaar met pensioen is. Bai heeft een auto en door zijn slechte been ook een invalidenparkeerkaart. „Ik had nooit gedacht dat ik me ooit nog eens een eigen auto zou kunnen veroorloven”, zegt hij. „Het geeft me alle vrijheid van de wereld”.

Bais dochter woont in Australië, dus als er met hem of zijn vrouw iets gebeurt, dan heeft hij geen hulp. Voor alle mannen is dat een probleem. Ze komen uit kinderrijke gezinnen, want Mao vond dat je nooit te veel communisten kon hebben, maar zelf hebben ze allemaal maar één kind. Meer mocht sinds de jaren tachtig niet. Dat vinden ze niet zo erg: als je er meer hebt, krijgen die maar ruzie over de erfenis.

Over hoe het verder zal gaan met China, verschillen ze van mening. „Ik denk dat we op weg zijn naar gemeenschappelijke waarden die voor de hele wereld gelden”, zegt Cao. „Die moet je vooral zoeken in religie, niet in politiek”, stelt hij. Ying gelooft dat niet zo. Hij denkt dat China vroeg of laat van politiek systeem moet veranderen als China echt deel van de moderne wereld wil worden.

Over één ding zijn ze het alle vier wel eens: er is sprake van een groot moreel verval. „Er is geen kind meer dat kiest voor een beroep waarvan de inhoud hem aanspreekt. Ze kiezen allemaal voor status en geld”, zegt Ying. Daarmee is China in de ogen van de vrienden het meest kostbare kwijtgeraakt dat er is: een moreel kompas en de bereidheid om dingen te doen die het eigenbelang overstijgen.