De bossen zijn een feestmaal voor knagende kevertjes

Schorskeverplaag Bosbeheerders vrezen dat hele naaldbossen zullen sterven door de vraat van kevers. Maar ecologen zien kansen voor spechten.

Jan ten Hoopen in een geruimd stuk van het Brabantse Leenderbos. „Het achterwerk van de lariksschorskever glanst; dat van de letterzetter is dof.”
Jan ten Hoopen in een geruimd stuk van het Brabantse Leenderbos. „Het achterwerk van de lariksschorskever glanst; dat van de letterzetter is dof.” Foto Walter Herfst

Natuurlijke graffiti lijkt het: de patronen waarmee de lariksen bij natuurgebied Planken Wambuis op de Veluwe zijn versierd. Op de plekken waar de schors verwijderd is, zit de stam vol raadselachtige hiëroglyfen. Witte kronkelige lijnen, geëtst in een ondergrond van oranjebruin hout.

„Mooi en dodelijk tegelijk: dit hele bos heeft binnen één jaar het loodje gelegd”, zegt ecoloog Jan ten Hoopen. Hij wijst naar een bladvormig figuur; een verticale ‘nerf’ van enkele millimeters doorsnede met aan beide kanten tien zijgangen haaks erop. „Duidelijk het werk van de achttandige lariksschorskever.”

Knaagsporen in het hout

Ten Hoopen kent ze allemaal: de lariksschorskever, de letterzetter, de koperetser. Kevertjes van een paar millimeter groot die door hun knaagsporen in het hout van naaldbomen complete bossen verwoesten. Zo’n 6.000 verschillende soorten van zulke schorskevers bestaan er wereldwijd; in Nederland komen er ongeveer 75 voor. „Ze komen af op bomen die al verzwakt zijn, door droogte bijvoorbeeld. Die produceren niet meer voldoende hars om de insecten te weren.” Het knaagwerk in de bast, tussen de schors en het hout, zorgt er vervolgens voor dat de boom niet meer voldoende water en voedingsstoffen naar de naalden kan transporteren.

Sporen van de achttandige lariksschorskever in Planken Wambuis. Foto Walter Herfst

Vooral de letterzetter (Ips typographus) is de laatste jaren berucht: die soort huist in de bast van fijnsparren, onder meer in het Poolse oerbos Bialowieza. Daar zorgen de kevers voor ruzie tussen boswachters en milieuactivisten – de aangetaste bomen moeten gekapt worden, zeggen de beheerders, om verspreiding van de letterzetter te voorkomen. Onzin, zeggen de milieubeschermers: zo’n plaag gaat na een paar jaar vanzelf over. Uiteindelijk oordeelde het EU-hof van justitie in 2018 dat Polen moest stoppen met de kap, en vooralsnog lijkt de schade die de letterzetter in het oerbos aanricht te overzien. Maar elders in Europa vallen de bomen bij bosjes. „Vorige week was ik in Zuid-Zweden voor veldwerk: ook daar zie je pleksgewijs dode bossen”, zegt Ten Hoopen. „En Duitse bosbeheerders hebben de fijnsparren in het laagland in wezen al opgegeven. Tienduizenden hectares zijn daar al gesneuveld. Niet alleen fijnsparren, maar ook douglassparren en lariksen.” Die laatste twee zijn respectievelijk het werkterrein van de koperetser (Pitogenes chalcographus) en de achttandige lariksschorskever (Ips cembrae).

In Nederland is de invloed van de letterzetter relatief klein: het totale areaal aan fijnsparren bedraagt hier zo’n 14.000 hectare, zo’n 3,5 procent van het naaldbosgebied. Ook het areaal aan douglassparren (20.000 hectare) en lariksen (19.000 hectare) is relatief gering – de Nederlandse naaldbossen bestaan vooral uit grove den (119.000 hectare). „Maar het nadeel van die bossen is dat ze vaak aangeplant zijn als monocultuur: heel veel bomen van één soort dicht op elkaar. Dat is gebeurd in het begin van de vorige eeuw, omwille van de houtproductie. Zo’n productiebos is een feestmaal voor de kevers. Ze zoeken zowel hun partners als hun bomen uit op basis van geur, en in een gemengd bos raken ze veel meer gedesoriënteerd. Maar hier kunnen ze zich doelgericht van boom naar buurboom verplaatsen.”

Letterzetter, Ips typographus

Door het dode lariksbos komt Klaas-Jan Mulder aanlopen, coördinator natuurbeheer bij Natuurmonumenten. „Je kunt als beheerder zoveel plannen maken als je wilt, maar de natuur gaat z’n eigen gang. Dit lariksbos, bijvoorbeeld, hadden we op termijn willen omvormen tot een gezond, gemengd bos, met bomen van verschillende leeftijden. Nu alle bomen tegelijkertijd gesneuveld zijn, zal er wéér een gelijkjarig en monotoon bos ontstaan.” En langs de wandelpaden zal een „fors aantal lariksen” moeten worden geveld, zegt Mulder, omwille van de veiligheid voor recreanten. „Nu staat zo’n dode boom nog best stevig, maar op termijn zullen ze over de paden vallen: bijvoorbeeld doordat wilde zwijnen langs de onderrand van de stam op zoek gaan naar insecten en de bomen daardoor steeds meer gaan wankelen.”

Spechtenvoer

Planken Wambuis is niet het enige gebied in Nederland dat dit jaar te maken kreeg met schorskevers. In het Noord-Brabantse Leenderbos is het veld met aangetaste fijnsparren inmiddels gerooid. Her en der staat nog een losse boom. Ten Hoopen raapt een stuk schors op, voorzien met de signatuur van de letterzetter: „Vergelijkbaar met die van de achttandige lariksschorskever, alleen op ander hout”, zegt Ten Hoopen. „De twee soorten lijken ook qua uiterlijk op elkaar. Maar het achterwerk van de lariksschorskever glanst; dat van de letterzetter is dof.”

Achttandige lariksschorskever, Ips cembrae

Het bos hier is eigendom van Staatsbosbeheer; de fijnsparren zijn verkocht voor de houtproductie. „Papier, spaanplaat, noem maar op”, zegt boswachter Jap Smits. „Hoogwaardig is zulk aangetast hout niet meer, dus veel brengt het niet op.”

Boven onze hoofden klinkt een luid ‘kru-kru-kru’: een overvliegende zwarte specht. „Met een bosbouwersblik bekeken zijn schorskevers schadelijk”, zegt Ten Hoopen. „Ze vellen de bomen op plekken waar je dat niet wilt. Maar vanuit ecologisch oogpunt is hun aanwezigheid óók mooi. De spechten komen juist op bomen af waarin de kevers zitten.”

Kleine tandjes en haartjes

Smits gaat voorop naar een net gevelde douglasspar. De kronkelige sporen in de top zijn een stuk kleiner dan die in de lariksen en fijnsparren: hier is de koperetser actief. Ten Hoopen laat zich op zijn knieën vallen en tuurt door zijn loep. „Kijk, je ziet hem zo door z’n gangetje lopen.” En inderdaad: een millimetergrote kever met zwarte kop en glanzend koperbruin achterlijf – met kleine tandjes en haartjes op het schild – baant zich een weg door het hout.

Schade in het Leenderbos. Foto Walter Herfst

De werkwijze van schorskevers is in grote lijnen hetzelfde, vertelt Ten Hoopen. „De mannetjes lokken de vrouwtjes – of bij sommige soorten net andersom – vanuit een zelfgeknaagd gaatje in de schors, met geurstoffen. Na de paring legt het vrouwtje tientallen eitjes in een lange gang. Haaks daarop knagen de larven zich een weg door het hout, daardoor krijg je die gevederde patronen. En uiteindelijk vliegen ze via een gaatje in de bast naar buiten.” Hij haalt een vuistdik Zweeds handboek tevoorschijn, waarin alle in hout levende insecten en hun knaaggangen staan afgebeeld. „Sommige schorskevers zijn monogaam: dan zie je maar één zo’n ‘nerf' met zijgangen. Maar andere soorten, zoals de letterzetter, zijn polygaam: de mannetjes paren in een centrale paringsruimte met twee of drie vrouwtjes, die vervolgens elk een eigen kant uitgaan om de eitjes af te zetten. Dan krijg je dus een uitwaaierend patroon van graafgangen.”

Ten Hoopen loopt naar een lariks die nog recht overeind staat en haalt uit zijn rugzak een mes, een zaag en een bijl tevoorschijn. „Even kijken wat zich in deze boom schuilhoudt”, zegt hij boven het zaaggeluid uit. „De gaten in deze bast zijn te groot voor die van een schorskever. Ik vermoed dat dit werk is van de dubbeloogboktor.” De boktor zit te diep weg, maar in zijn gang is wel duidelijk fijn zaagsel – ‘houtmeel’ – zichtbaar. „Voor veel insecten is het hout van zo’n boom veel te moeilijk te verteren”, vertelt Ten Hoopen. „Daarom dragen boktorren en schorskevers vaak schimmels met zich mee – soms hebben ze daar zelfs een speciale structuur voor op hun lichaam, het mycangium – die het hout beter te verteren maken.”

Klimaatbos

In principe houden schorskeverplagen na een paar jaar vanzelf weer op, zegt Ten Hoopen. „Het is een zelfregulerend effect: na een tijdje hebben ze alle verzwakte bomen aangetast, en zijn er niet voldoende exemplaren meer over om eitjes in te leggen. Maar in die paar jaar kunnen ze natuurlijk wel een enorme impact hebben: een bos dat in een jaar afsterft, kan er tientallen of zelfs honderden jaren over doen om weer volgroeid te raken.”

„Zo’n schorskeverplaag kan in korte tijd enorme proporties aannemen”, vult Smits aan. „Zeker omdat je binnen één jaar vaak al wel drie kevergeneraties hebt.” Hij laat een filmpje op zijn telefoon zien: ontelbare letterzetters die ’s nachts rond een fijnspar zwermen. „Dit kreeg ik opgestuurd van een collega uit Duitsland. In één boom kunnen wel honderden kevers huizen. Die massaliteit van die kevers, daar kan geen enkele verzwakte boom tegenop.” Juist daarom is het zo belangrijk om voor een weerbaar bos te zorgen, benadrukt hij. „Een fitte boom is veel minder vatbaar voor een plaag – vergelijk het met jezelf: als jij goed bent uitgerust, krijg je ook minder snel griep.”

Koperetser, Pitogenes chalcographus

Daarom streeft ook Staatsbosbeheer naar een gevarieerder bos, met een goede waterhuishouding, zegt Smits. Hij gaat voorop naar een ‘klimaatbos’: een aanplant van jonge loofbomen (variërend van hazelaars tot lindes en kersenbomen) die tussen de dennen en sparren staan.. „Toen deze monotone productiebossen in de jaren dertig werden aangelegd op vochtige heidegrond, moesten greppels ervoor zorgen dat de bodem niet te nat zou zijn. Nu gaan we die sloten weer grotendeels dempen.”

Ten Hoopen knikt. „Van de schorskevers zelf lig ik niet wakker – die komen en gaan weer. Maar over de invloed van klimaatverandering maak ik me wél zorgen. Na één, twee droge jaren heb je over het algemeen vanzelf wel weer een natter jaar, waarin de bomen weerbaarder worden. Als dat nu gaat veranderen, dan hebben de bossen geen tijd om te herstellen. En dát zou ze pas echt vatbaar maken voor plagen.”