Opinie

Moet stadsverwarming geen publieke taak zijn?

De gemeenteraad gaat praten over het warmtebedrijf dat zwaar in de problemen is, en is in afwachting van het rapport van de Rekenkamer. Een van de problemen is dat afvang en vervoer van de warmte gefinancierd is door de gemeente, maar de uiteindelijke levering aan de markt overgelaten wordt, vindt René Segers-Hoogendoorn.

Illustratie Rik van Schagen

Het warmtebedrijf Rotterdam en de Rotterdamse politiek gaan weken van de waarheid tegemoet. We wachten met spanning op met name het onderzoek van de Rekenkamer naar de besluitvorming in het recente verleden. In de Rotterdamse gemeenteraad wordt alvast een voorschot genomen op nader onderzoek. Het woord raadsenquête (het ultieme instrument van een gemeenteraad) zingt rond.

Het warmtebedrijf, wat is dat ook alweer? In het kort: het Rotterdamse havenindustrieel complex stoot zoveel restwarmte uit dat als je dat effectief opvangt en weet te transporteren je er vele huizen en bedrijven mee kan verwarmen. Stadsverwarming, doen dus! Je maakt van iets schadelijks iets nuttigs, daar moet een mooie sluitende business case uit te halen zijn. Zo dacht de Rotterdamse politiek eind 2005 ook, en het warmtebedrijf Rotterdam zag het levenslicht.

Anno 2019 ligt datzelfde warmtebedrijf al jaren aan het gemeentelijk infuus en dreigt er nog steeds een faillissement. NRC heeft deze recente geschiedenis kort geleden al eens keurig op een rijtje gezet. Maar welke cruciale vragen liggen er nu voor? Dat zijn er mijns inziens twee: (1) welke mate van overheidsbemoeienis vinden we gezond voor warmteleverantie aan burgers? En (2) welke kansen heeft het warmtebedrijf de afgelopen jaren gemist?

Collectieve voorziening?

Om maar met die eerste te beginnen: warmte, hebben we daar nou recht op of niet? Zou warmte, met andere woorden, een collectieve voorziening moeten zijn?

De definitie van een collectieve voorziening heeft twee pijlers: (1) het is door de overheid geregeld en (2) het komt iedereen ten goede. Voor warmte zou ik in een welvarend land als Nederland zeggen dat het zeker iedereen ten goede zou moeten komen. In ons land horen we letterlijk en figuurlijk niemand in de kou te laten staan. Maar het is niet gezegd dat de overheid dit per se moet regelen en betalen. Als ‘de markt’ het efficiënter en doelmatiger kan, dan is het ook goed.

Maar voor stadsverwarming ligt dat misschien tóch ietsje anders. Het warmtebedrijf is een publieke onderneming, opgericht door de gemeente Rotterdam, maar gaat al sinds de oprichting gebukt onder (te) hoge leveringsgaranties aan commerciële energieleveranciers (de bedrijven die de warmte tot in je huis brengen). Die leveringsgaranties (in hoeveelheid én prijs) zijn al vanaf dag één een molensteen om de nek van het bedrijf. De energieleveranciers hadden minder hoge maatschappelijke doelstellingen dan de gemeente, er werd vooral gelet op het afdekken van risico’s en veiligstellen van (winst)marges. Kun je dat commerciële bedrijven verwijten? Ik denk het niet, maar het roept in ieder geval de vraag op of stadsverwarming wel efficiënter en doelmatiger geleverd kan worden door ‘de markt’.

Bij restwarmte is het afvangen en transporteren goeddeels overheidsgefinancierd, maar de daadwerkelijk levering tot in de woonkamer van Rotterdammers is commercieel. En juist bij die levering zit het probleem. Overheidsgefinancierde levering zorgt misschien financieel voor een scheve business case, maar in totale opbrengst (betaalbaarheid, leefmilieu én verduurzaming) zou het zomaar eens positief kunnen zijn. En moet het ons daar niet om te doen zijn?

Slapen

De reikwijdte van het warmtebedrijf vergroten leek de afgelopen jaren dé oplossing. Als er een leiding gelegd zou worden naar een veel groter achterland, zou het bedrijf weer gezond kunnen worden. Hup, met die warmte de regio in. De daarvoor benodigde ‘leiding over oost’ (Lansingerland, Zoetermeer, Leiden) werd als een veel betere optie gepresenteerd dan de alternatieve ‘leiding door het midden’ (via Delft naar Den Haag). Maar nu lijkt diezelfde ‘leiding door het midden’, met Gasunie als grote roerganger en het ministerie van EZ als sponsor, mijlenver voor te liggen.

Zoals de wedstrijd nu in de plooi ligt lijkt het warmtebedrijf het nakijken te hebben. Zelfs gesprekken over aansluiting van oost en midden tot een heuse ‘warmterotonde’ zijn op niets uitgelopen. En dat roept de vraag op wanneer het warmtebedrijf én de gemeente Rotterdam hebben zitten slapen en waarom wij op cruciale momenten niet aan de belangrijke tafels hebben gezeten. Of hebben we er wel gezeten maar er een andere strategie op nagehouden? Beide conclusies zouden op z’n zachtst gezegd weinig hoopvol zijn voor de toekomst van ons warmtebedrijf.

Het spel is op de wagen, de onderste steen moet boven…

lid van de gemeenteraad Rotterdam voor het CDA