Hier in het rariteitenkabinet kreeg Stendhal privéles

Kunst op reis Waar leefden kunstenaars? Op reis naar de plekken waar zij hun stempel drukten. Deze week Stendhal in Grenoble.

Foto’s Sylvain Frappat, Wikimedia commans, Getty Images
Foto’s Sylvain Frappat, Wikimedia commans, Getty Images

Het kost even moeite hem te vinden, die ene deur in de drukke winkelstraat in het centrum van Grenoble. Maar dan is hij er toch, de poort die toegang geeft tot de negentiende eeuw. Eerst een donkere, bijna morsige binnenplaats, dan statige houten trappen, vervolgens, groot op de muur, de plattegrond van het appartement waar Stendhal woonde, getekend door de grote schrijver zelf.

Hier woonde de wereldberoemde auteur van Le rouge et le noir (Het rood en het zwart) vanaf zijn zevende, nadat zijn moeder was overleden. Hij adoreerde zijn kunstzinnige, getalenteerde moeder, in alles het tegenovergestelde van zijn saaie vader, Chérubin Beyle, advocaat bij het gerechtshof van de Dauphiné. Na haar dood, dé tragedie in zijn leven, trok de hele familie in bij haar vader, een beroemd en geliefd arts in Grenoble, een man van de Verlichting.

Marie-Henri Beyle, zoals Stendhal eigenlijk heette, mocht vrijelijk putten uit zijn grootvaders bibliotheek: hij las Molière, Fénelon, Voltaire, maar ook Horatius, Dante en Cervantes. Het moet een paradijs zijn geweest voor de voorlijke jongen, die extreem beschermd werd opgevoed: tot zijn dertiende mocht hij niet naar buiten. In het gezin was men veel te bang voor ziekten, voor vallen, verdrinken, verkeerde vrienden. Nooit mocht hij praten met een kind van zijn eigen leeftijd, schrijft hij in zijn autobiografie.

Dus zocht hij zijn toevlucht op ‘la treille’, het langwerpige terras, aan de achterkant van het appartement, vanwaar je ruim uitzicht hebt over het stadspark. „Op het terras zat hij te kijken wat zich in het stadspark afspeelde”, zegt Olivier Tomasini, directeur van het Stendhal Museum, „hij was er, en tegelijkertijd was hij er ook niet. Dat heeft hem die observerende blik op de wereld gegeven, die je in zijn werk terugvindt.”

Marie-Henri kreeg privéles in het rariteitenkabinet, waar nog steeds opgezette vogels staan en glazen potten met slangen, spinnen en padden op sterk water. In de vitrines in de vroegere studeerkamer liggen pagina’s uit het manuscript van Le rouge et le noir, aan de muur prenten van Madame de Staël en andere beroemde tijdgenoten. De kleine zijkamer, door Stendhal de ‘chambre de mon oncle’ genoemd is – hoe toepasselijk – dicht: als jongen weet hij dat zijn getrouwde oom er maîtresses ontvangt, maar wat er precies gebeurt weet hij nog niet.

In de ook nu nog statige Grand Salon staat een buste van Stendhal. „Hij beantwoordde niet echt aan het schoonheidsideaal van zijn tijd”, vertelt Tomasini, „hij had nogal een rond, vlezig gezicht, droeg een toupetje en had veel last van zijn gebit. Maar hij hechtte aan elegante kleding. Dat weten we uit zijn dagboeken.” Er hangt ook een portret van zijn zus Pauline. „In zijn jeugd is Stendhal dol op zijn jongere zus”, vertelt Tomasini, „later wordt ze nogal excentriek, gaat ze als man verkleed de straat op. Je ziet het ook aan het portret, ze is veel vrijer gekleed en gekapt dan gebruikelijk.” Ze trouwt met de buurman, een jeugdliefde, maar eindigt in de misère. „Als ze een beroep doet op haar broer, die dan in Italië zit, houdt hij haar weg. Ze zou zich ‘als een oester vastklinken aan de romp van mijn schip’, schrijft hij. Hij houdt zo van zijn vrijheid dat hij die door niets of niemand wil laten belemmeren.”

Zelf is Stendhal nooit getrouwd. „Nee, hij dacht dat hij van zijn vader zou erven”, vertelt Tomasini, „maar die stopte zijn geld in een schapenfokkerij vlakbij zijn buitenhuis en raakt alles kwijt. Stendhal heeft nooit een eigen huis bezeten, hij woonde in hotels of bij vrienden. Pas toen hij consul werd, rond zijn vijftigste, ging het hem financieel beter.”

Lees ook: NRC tipt steden, van Brussel tot Tel Aviv

In de tussentijd bekijkt een schoolklas het manuscript van Le rouge et le noir. Een jongen roept dat hij Stendhal maar vies vindt. Hij heeft gelezen dat hij bij het slapen gaan onder het nachthemd van zijn moeder keek en alles kon zien. Tomasini glimlacht. „Ja, in zijn autobiografie Het leven van Henry Brulard schrijft hij dat hij als jongetje, tot aan zijn moeders dood, op een matras naast haar bed slaapt en dat zij, om in bed te stappen, over hem heen springt, ‘licht als een hinde’. Iedere keer ziet hij l’origine du monde. Daar is de jeugd van nu nogal eens door gechoqueerd”.

Musée Stendhal, 20, Grande Rue, Grenoble. Openingstijden dinsdag t/m vrijdag 14-18 uur, zaterdag 10-12 uur en 14-18 uur. Toegang gratis.