Chirac was president van de stagnatie en neergang van Frankrijk

Jacques René Chirac (1932-2019) Dertig jaar was hij hoofdrolspeler in de Europese politiek. In de twaalf jaar dat hij president was, werd Frankrijk steeds meer een verzwakt en star land.

Foto Philippe Wojazer/Reuters/AFP

Hij was al twee jaar geen president van Frankrijk meer, maar zijn dassen kocht hij nog steeds pal tegenover het Elysée-paleis waar hij twaalf jaar had geregeerd. Wat Jacques Chirac voor de Fransen betekende, kon je die ochtend in 2009 zien, toen hij de winkel uitstapte tussen de voorbijgangers in Parijs.

Iedereen wilde handen schudden met monsieur le Président. Hij schudde begeesterd terug – het campagnebeest zat bij de toen 75-jarige gepensioneerde politicus nog dicht onder de oppervlakte. Sommigen sprak hij met zijn warme stem toe, voor iedereen zijn charmante hoofdknik, die soms iets had van een lichte buiging – de kiezer is koning.

Bekijk ook de fotoserie: Jacques Chirac – burgemeester, premier, president

In deze stijl was hij decennia een van de meeste geliefde Franse politici. Door jaren alle handen te schudden die hij kon krijgen. Frankrijk is een tactiel land: vertrouwen is een kwestie van aanraken.

Meedogenloos roofdier

In 1965 al ging hij handenschuddend door het landelijke departement Corrèze, op weg naar zijn eerste, lokale mandaat. Hij was gaullist, een aanhanger van president Charles de Gaulle, de stichter van de Vijfde Republiek. En hij werd nog beter in handenschudden toen hij in 1972 minister van Landbouw werd, na enige jaren te hebben gediend in de staf van zijn leermeester, president Georges Pompidou.

Onderhandelen kon hij ook, dat had hij bewezen toen hij in 1968 als jonge staatssecretaris van Sociale Zaken namens de rechtse regering om de tafel moest met de linkse vakbonden tijdens de mei-revolte.

Deze donderdag overleed Jacques Chirac op 86-jarige leeftijd.

Chirac was wat Fransen un grand fauve noemen – een roofdier, dat meedogenloos zijn doel najoeg: macht. En met een lange adem. Zijn doel, het Elysée, bereikte hij na dertig jaar, in 1995. In 1981 en 1988 verloor hij de verkiezingen van socialist François Mitterrand. Tussendoor was hij premier (1974-76 en 1986-88) en burgemeester van Parijs (1977-1995).

Tot hij in 2007 werd afgelost door Sarkozy, was hij 35 jaar de sterke man op rechts, en oprichter van eerst de RPR en later UMP, de grootste centrum-rechtse Franse partijen. Als stayer in de politiek groeide hij uit tot een van de hoofdrolspelers van de Europese politiek in het laatste kwart van de twintigste eeuw. Maar hij bleef omstreden als staatsman. Hij slaagde er niet in Frankrijk te hervormen en te moderniseren. Hij trad niet in de voetsporen van Valéry Giscard d’Estaing en Mitterrand, die met hun Duitse collega-leiders Helmut Schmidt en Helmut Kohl de Europese integratie verder brachten.

Onder Chiracs leiding verloor Frankrijk terrein als leidende natie in Europa. Terwijl zijn tijdgenoot Gerhard Schröder hervormingen in gang zette waardoor Duitsland veranderde in een dynamische economische Europese motor, liet Chirac in 2007 een somber land achter. Met een verstarde arbeidsmarkt, hoge werkloosheid en een groeiende sociale tweedeling.

Chirac groeide, deels tegen wil en dank, uit tot de beschermheer van het Frankrijk van de beschermde ‘insiders’ met een vaste baan, vroeg pensioen en eigen woning. Hij worstelde met verliezers en outsiders, op het leeglopende en verarmende platteland en in voorsteden met grote werkloosheid, klachten over discriminatie van jongeren van (Noord-)Afrikaanse afkomst en af en toe hevige rellen.

Zelf heeft Chirac zich nooit omhoog hoeven vechten. Al jong kwam hij, de in 1932 in Parijs geboren bankierszoon, in een omgeving die hem in de armen sloot. In de oorlogsjaren werd hij in Zuid-Frankrijk opgevangen bij de familie van industrieel Marcel Dassault, werkgever van zijn vader. Zijn leven lang bleef hij verbonden met de familie Dassault, bekend als vliegtuigbouwers, wapenfabrikanten en, later, eigenaar van de krant Le Figaro.

Linkse, rebelse jeugd

Zijn jeugd kende rebelse periodes. Volgens zijn studievriend, de latere sociaal-democratische premier Michel Rocard, was hij het linkst van zijn vriendengroep. Hij ventte de communistische partijkrant L’Humanité uit. Hij volgde topambtenarenschool ENA en bracht een jaartje door in de VS – waar hij beter Engels leerde dan menig Frans politicus. Hij werd er zo verliefd op een Amerikaanse, dat hij besloot nooit meer terug te keren naar Frankrijk. Maar zijn entourage, aangevoerd door verloofde Bernadette, liet hem niet gaan. Jacques moest de politiek in, en wel als gaullistische politicus, en carrière maken.

Ook later kende hij crises van amoureuze aard. In 1976, toen hij net premier af was, moesten adviseurs eens uren op hem inpraten omdat hij, weer verliefd, een ander leven wilde, buiten de politiek.

In plaats daarvan werd hij in 1977 burgemeester van Parijs, een post die eerder niet bestond, maar op maat gesneden was voor zijn ambities. Hij schuimde ’s nachts met zijn chauffeur de stad af, op zoek naar avontuur. Dat leverde hem een bedenkelijke bijnaam op: Monsieur 5 minutes (douche comprise). Bernadette verbood de chauffeur haar man nog buiten werktijd te vergezellen.

Vanuit het stadhuis in Parijs richtte Chirac zijn politieke partij in als een machtsmachine. Naaste medewerkers werden later door de strafrechter veroordeeld wegens het schenden van de regels voor campagnefinanciering en fraude met fictieve banen op het stadhuis voor partijgenoten. Zijn rechterhand Alain Juppé bracht na zijn veroordeling een jaar door in Canada, in een zelfgekozen ballingschap. Chirac bleef altijd buiten de rechtszaal, omdat hij als president ten tijde van de processen immuniteit genoot.

Spektakelpoliticus

Chirac was ook een spektakelpoliticus, die in zijn tactische machtsberekeningen veelvuldig mistastte. Zo liet hij in 1993 zijn rechterhand Eduard Balladur premier worden nadat hun rechtse RPR de parlementsverkiezingen had gewonnen. Chirac gokte dat Balladur klappen zou opvangen naast de socialistische president Mitterrand. Maar Balladur werd juist populair, toonde liberale hervormingskracht en wilde in 1995 toch maar zelf president worden. Chirac moest terugkomen vanuit een geslagen positie. Dat lukte hem.

Als burgemeester onderhield hij steeds een wijd internationaal netwerk dat zijn status als ‘alternatieve president’ voedde. Zo stond hij in innig contact met tal van (rijke) Afrikaanse leiders, ontving hij de Iraakse leider Saddam Hussein in zijn buitenhuis in Zuid-Frankrijk en was hij al vroeg een geziene gast in China en Japan.

Toen hij in 1995 president werd, liet hij meteen zien te willen meetellen in de wereld – door kernproeven te hervatten op de atol Mururoa in de Stille Oceaan. Vlak erna zou Frankrijk het internationale moratorium op kernproeven ondertekenen.

Zijn twaalf jaar presidentschap hebben Frankrijk en Europa niettemin achtergelaten met een vraag: was Chirac nu de laatste van de grote Franse presidenten van de Vijfde Republiek geweest – na De Gaulle, Pompidou, Giscard d’Estaing en Mitterrand? Of juist de eerste van de kleine – de wegbereider van zijn twee worstelende opvolgers: eerst Nicolas Sarkozy en daarna François Hollande?

Achteraf zijn de hoogtepunten snel geteld. In 2003 weigerde Frankrijk in de VN-Veiligheidsraad steun te geven aan George W. Bush om ten oorlog te trekken in Irak. Chirac geloofde niet in de Amerikaanse aanwijzingen dat Saddam Hussein massavernietigingswapens verborg.

Ook sneed hij, al jaren voor de Syrische opstand, die in 2011 begon, alle banden met president Bashar al-Assad door, omdat hij die als een misdadiger beschouwde. Hij zag Assad met name als opdrachtgever van de moord in 2005 op de sterke man van Libanon, Rafik Hariri – voormalig premier van dat land, zakenman en een dierbare vriend van de Chiracs.

Ook binnenslands getuigde Chiracs optreden van een zeker kompas. Zo erkende hij als eerste naoorlogse president de verantwoordelijkheid van de Franse staat voor Vichy, het regime dat collaboreerde met nazi-Duitsland. Ook was hij als president een baken tegen het Front National van de rechts-extremist Jean-Marie Le Pen – ook toen sommige partijgenoten wel wat verder naar rechts wilden.

Niet dat hij altijd even vriendelijk was. „Ons probleem”, zei hij in 1991 in een vaak opgerakelde toespraak over immigratie, „zijn niet de buitenlanders, maar de overdosis ervan”. In die rede sprak hij over „het lawaai en de stank” die buitenlandse buren zouden veroorzaken.

Iedereen schudde hij de hand, het maakte hem een van de geliefdste politici van Frankrijk

Toch lukte het hem in 1995 president te worden na een campagne die juist gericht was tegen de tweedeling in de samenleving. Goed gezien – hij versloeg er niet alleen zowel de socialist Jospin als zijn liberale ex-vriend Balladur mee, maar deze tweedeling zou ook in de twee volgende decennia allengs een groter probleem worden.

Eenmaal gekozen lukte het Chirac niet er iets aan te doen. Hij stelde een hervormingsgezinde premier aan, Alain Juppé. Die probeerde tussen 1995 en 1997 de arbeidsmarkt en pensioenen te hervormen, maar liep stuk op hard sociaal verzet.

Chirac nam in 1997 de gok parlementsverkiezingen uit te schrijven om zijn mandaat te versterken. Het bleek – weer – een tactische misrekening van formaat. Links won, er volgden vijf jaar ‘cohabitation’: terwijl premier Jospin economisch herstel bereikte met zijn linkse parlementsmeerderheid, moest Chirac zich vooral beperken tot buitenlands beleid.

Weer kreeg hij een miraculeuze herkansing. Bij de eerste ronde van de presidentsverkiezingen in april 2002 haalde Chirac nog geen 20 procent van de stemmen. Jospin scoorde nog lager (16,1 procent) en legde het zelfs af tegen de extreem-rechtse kandidaat Jean-Marie Le Pen (16,8). Centrum-rechts en links waren geschokt – en bezorgden Chirac in de tweede ronde in grote meerderheid een nieuwe termijn: de ‘minst erge’ optie.

Mislukte hervormer

Met hervormer Chirac kwam het niet meer goed. Hij werd de president van de neergang van Frankrijk. Nieuwe pogingen van achtereenvolgende premiers en ministers om het land te moderniseren lokten felle demonstraties uit, waarop Chirac de betrokken ministers – Nicolas Sarkozy voorop – dwong tot de terugtocht.

Chirac beleed intussen de gedachte dat je met Fransen voorzichtig moest zijn. Hervormingen moesten stapje voor stapje, anders ontspoorde het. Hij werd gekweld door de herinnering aan Malik Oussekine, een door de politie gedode demonstrant tijdens een van zijn hervormingspogingen als premier, in 1986.

In mei 2005 leed Chirac een van de grootste nederlagen uit zijn carrière: bij het referendum over de Europese grondwet stemden de Fransen tegen (drie dagen later gevolgd door de Nederlanders). De uitslag bezegelde de status van Chirac als min of meer mislukte Europese leider. Van hem was verwacht dat hij, na Mitterrand en Giscard, als Franse leider de Europese eenwording verder zou vormgeven, met de Duitse regeringsleiders. Na het referendum was alle fut uit Parijs verdwenen. Chirac werd een remmende factor, een boegbeeld van de Europese stagnatie.

Een groot Europeaan was hij toch al nooit geweest. Eind 1978 had hij zelfs – vanaf een ziekenhuisbed – een nationalistisch manifest gelanceerd dat de Fransen opriep tot verzet tegen „de onderwerping van Frankrijk aan het rijk van kooplui” in Europa. Later schreef hij dit toe aan adviseurs die van zijn zwakke gezondheid gebruik zouden hebben gemaakt.

Het Elysée groeide in de laatste jaren van Chirac uit tot een reservaat van politieke stilte – in Parijs sprak men van le château, het kasteel waar de vorst zijn oude dag sleet. Intussen trok Nicolas Sarkozy met een agressieve stijl en rechtsere politiek het leiderschap op rechts naar zich toe. Chirac werd een krachteloze leider, die zijn erfenis niet meer beheerste.

De somberheid onder Fransen groeide, maar Chirac zélf namen ze niets kwalijk. De oude vos herschiep zich als vriendelijke baas met een humanistisch hart. Net als zijn voorgangers liet hij een Groot Werk na in Parijs – in zijn geval het Branly-museum, gewijd aan vooral Aziatische en Afrikaanse kunst. Het museum is naar Chirac vernoemd, zodat hij mag hopen dat er iets blijft hangen van het etiket waarmee hij graag herinnerd werd: als een humanist die oog had voor de gelijkwaardigheid van culturen. Zo presenteerde hij zich ook in twee delen mémoires. La diversité culturelle garandeerde ook eerbied voor Franse eigenheid, tegenover de Amerikaanse culturele hegemonie.

Na zijn pensionering in 2007 betrok hij met Bernadette, na dertig jaar te hebben gewoond in de paleizen van de republiek, een geleende woning in Parijs van de familie Hariri – de nazaten van zijn vermoorde Libanese vriend Rafik.

Daar woonde hij ook toen hij in 2009 een das kocht in de buurt van het Elysée. De volgende dag bleek uit een foto in de kranten waarvoor hij die das nodig had. Hij had geluncht met zes Afrikaanse staatshoofden die toevallig in Parijs waren. Oude vrienden, met wie zijn carrière grotendeels gelijk was opgelopen. Hij bleef trouw aan hen, en zij aan hem.

René Moerland was NRC-correspondent in Frankrijk van 2005 tot 2010.

Correctie (26 september 2019): In een eerdere versie van dit artikel stond dat Alain Juppé „nu in de race is als presidentskandidaat”. Deze informatie was niet actueel en is verwijderd. Ook stond er dat de Fransen in navolging van de Nederlanders in 2005 tegen de Europese grondwet stemden. Het Franse referendum vond plaats op 29 mei, het Nederlandse drie dagen later, op 1 juni. Ook dit is hierboven aangepast.