Opa en oma nemen het oppassen over, ook als ze er 200 km voor moeten rijden

Oppassen Wat als je kleinkinderen ver weg wonen? Steeds meer grootouders nemen het reizen voor lief. „We gaan door zolang het kan.”

Syb en Froukje Tilstra (beiden 68), opa en oma én vaste oppas van Roos (2 jaar) en Daan (2 maanden).
Syb en Froukje Tilstra (beiden 68), opa en oma én vaste oppas van Roos (2 jaar) en Daan (2 maanden). Foto John van Hamond

‘Daar waren we al!”, roept Froukje Tilstra (68) vrolijk vanaf straat. Een grote lach op Roos’ gezicht; oma Tilstra pakt haar 2-jarige kleindochter meteen op, van opa Syb Tilstra (ook 68) krijgt ze een dikke kus op haar voorhoofd. Het is iets na drieën ’s middags, Den Bosch. Froukje en Syb Tilstra hebben er een autorit van meer dan twee uur en ruim tweehonderd kilometer opzitten. Even rustig landen gaat niet, het is stoeien en knuffelen geblazen, dat laatste ook met Daan van twee maanden.

Drie kwartier eerder zijn we bij ‘pake’ en ‘beppe’ Tilstra in de auto gestapt. Ze wonen in Drachten, we reizen de laatste 45 kilometer mee. Syb Tilstra rijdt, ze hebben net gewisseld. Doen ze altijd, gewoonlijk halverwege. „Dan is de reis zomaar voorbij”, zegt hij. Onderweg praten ze wat, checken ze Instagram voor familiekiekjes en Twitter voor sportuitslagen. Eens in de twee weken rijden ze Drachten-Den Bosch, sinds ongeveer een jaar. Toen ze door zoon en schoondochter werden gevraagd als oppas zeiden ze „volmondig” ja, vertelt Syb.

Nu zijn ze wat vroeger, normaal gesproken vertrekken ze na de avondspits – kunnen ze lekker vlot doorrijden. „Dan zitten we om negen uur aan de thee”, zegt Froukje Tilstra. De volgende ochtend halen ze de kleinkinderen uit bed, passen de hele dag op en gaan na het avondeten weer terug.

Roos gaat ook naar de opvang, Daan volgt straks. „Maar wij willen ze ook heel graag zien opgroeien”, zegt Froukje. Zij zien oppassen als een zinvolle tijdsbesteding na hun werkende leven als sportlerares (zij) en fysiotherapeut (hij). Het reizen hebben ze er graag voor over.

Ze zijn geen uitzondering, denkt socioloog Fleur Thomése, universitair hoofddocent aan de Vrije Universiteit Amsterdam (VU). Zij deed onderzoek naar oppassende grootouders. Sowieso passen opa’s en oma’s vaker op dan vroeger, onder meer omdat ze langer gezond zijn. En ouderen leggen door de bank genomen vaker dan voorheen grotere afstanden af. „Je kunt dus wel aannemen dat grootouders ook meer reizen om op te passen”, zegt Thomése.

Waarom doen ze dat? Hoe vaak? Vinden ze het niet zwaar? Krijgen ze betaald? Zo’n honderd grootouders vulden een online-enquête van NRC in, die onder meer werd verspreid onder leden van ouderenorganisatie ANBO. Ook voerden we zestien gesprekken met grootouders en hun kinderen.

‘Het houdt je jong’

Honderd kilometer of meer reizen om op te passen, de meeste grootouders hebben het er graag voor over, blijkt uit de enquête en uit de gesprekken. Ruim de helft van de respondenten zegt de reis geen probleem te vinden. Bijna 30 procent van de ondervraagden vindt het reizen soms vervelend en 15 procent vindt het soms zwaar. „Door mijn leeftijd”, zegt de een. „Bij slecht weer in het donker vind ik autorijden niet fijn”, zegt een ander. „Ik ben doodmoe en moet echt een dag bijkomen”, schrijft een 68-jarige grootouder uit Amsterdam over het oppassen en het reizen.

„Het is een kwestie van het gaspedaal intrappen en de cruisecontrol aan”, zegt Dick Jager (64) uit Eelde (Drenthe). Om de week rijdt hij op woensdag op en neer naar Rotterdam, in totaal zo’n 500 kilometer. Dat doet Jager, die na een carrière in het bankwezen op zijn 58ste met pensioen ging, al negen jaar, sinds de geboorte van zijn kleinzoon Daniél. Soms stapt hij haast handenwrijvend in de auto: straks ga ik hem weer zien! Heeft hij dan nooit tegenzin? Stellig: „Nee, nooit.” Vanaf oktober zal hij ook oppassen in Utrecht, dan verwacht zijn jongste zoon een baby.

Foto’s John van Hamond

Kijk je naar Jagers profielfoto op WhatsApp, dan zie je niet hem, maar een foto van Daniél – rood rugzakje, zijn blonde haren in de war. File? Autopech? De liefde voor kleinzoon Daniél maakt alle mogelijke tegenslag futiel. „Ik vind het ongelooflijk waardevol om een goede band met hem te hebben”, zegt Jager. Het zijn kleine dingen die hem gelukkig maken: samen Monopoly spelen, een potje voetballen. Of dat Daniél hem deelgenoot maakt van zijn belevingswereld en z’n voetbalplaatjes een voor een laat zien. „Dan zit ik heerlijk relaxed op de bank.” En het oppassen houdt Jager jong: „Ik zeg altijd: als je ouder wordt, moet je onder de mensen blijven.”

De eerste jaren vertrok hij al om half zeven ’s morgens, nu Daniél naar school gaat is dat negen uur. „Rond half twaalf ben ik dan in Rotterdam, ik haal hem om half één op bij school.” Ze lunchen samen en ’s middags kookt Jager voor het avondeten. Om zes uur geeft hij voetbaltraining aan Daniél en zijn team, waarna de familie thuis eet. „Tussen elf en middernacht ben ik dan weer in Eelde.”

„Mijn vader stelde zelf voor om op te gaan passen”, zegt Dicks zoon Alex Jager (43). Hij had er de tijd voor. „Natuurlijk vonden wij dat helemaal goed.” Was hij er anders zelf over begonnen? Hij is architect en ook zijn vriendin heeft een drukke baan. „Ik weet het niet, ik vind het altijd moeilijk om mensen om een gunst te vragen.” Soms voelt hij zich wel bezwaard: „Af en toe zitten we in de problemen en moeten we hem voor een extra dag vragen. Ik probeer dat zoveel mogelijk te voorkomen.” Niettemin ziet hij hoezeer zijn vader van het oppassen geniet: „Hij is gek van kinderen en vindt het geweldig dat Daniél van voetbal houdt. Ik vond daar vroeger nooit wat aan.”

Ruim de helft van de grootouders die de enquête invulden past een of twee keer per maand op, vaak al jarenlang. Meer dan de helft doet over de totale reis meer dan drie uur; ruim 40 procent is heen en terug minstens 240 kilometer onderweg. Het overgrote deel pakt de auto, een klein deel gaat met het openbaar vervoer, meestal de trein. Eén grootouder, Germa Klaassen (65), vliegt zeker eens per twee maanden naar haar kleinkinderen, soms samen met haar man.

„Ik zet even de pannenkoeken uit”, zegt Klaassen aan de telefoon vanuit München. Ze is alvast aan het koken voor die avond, voordat ze samen met partner Frans van Dijk (67) de kleinkinderen van 1, 3 en 5 jaar weer ophaalt uit de crèche. Een kleine week passen ze op; de ouders zijn op een verlate huwelijksreis. „Als het droog is, gaan we straks even naar de speeltuin”, vertelt Klaassen.

Zij en haar man wonen in Heemstede, een kleine 900 kilometer verderop. Niet te doen met de auto, vindt Klaassen, en ook niet met de trein. Vanwege de klimaatimpact stapt ze „altijd wel met pijn in de buik” het vliegtuig in. Maar ja, „we zien niet hoe we het anders moeten doen.” Want het is „fantastisch” om de kleinkinderen te zien opgroeien en ze helpen graag hun dochter en schoonzoon, die werken als psycholoog en anesthesioloog. De drie kinderen gaan ook naar de opvang, maar niet de hele dag. Toch is er geen absolute noodzaak om op te passen; de grootouders vinden het vooral leuk. Al hun andere afspraken plannen ze eromheen.

Door de reiskosten – een retourticket kost 120 tot 180 euro en dat betalen ze zelf – kunnen ze minder lang op vakantie. „Maar we eten er niet minder om.” Germa Klaassen werkt ook nog gewoon vier dagen per week, als klinisch chemisch analist. „Als ik terugkom na een reis van ongeveer zes uur, moet ik de volgende dag direct weer aan de slag. Dat is wel pittig.”

Weinig vertrouwen in de kinderopvang

Voor de meeste grootouders die meededen aan de enquête is oppassen een structurele bezigheid, ze doen het niet alleen om ‘gaten’ op te vullen. Wat bij zowel ouders als grootouders meespeelt is beperkt vertrouwen in professionele opvang. Ruim de helft van de respondenten geeft aan dat het beter is dat kinderen door familie worden opgevangen, volgens socioloog Fleur Thomése is dat in Nederland „een breed gedeeld gevoel”. Tweederde van de ouders die geen gebruik maken van formele opvang twijfelt over de veiligheid hiervan, bleek in 2018 uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau. De onderzoekers denken dat dit mogelijk verband houdt met berichtgeving over seksueel misbruik in de kinderopvang.

Lucy Klaassen (69) uit Westervoort in Gelderland, die elke maand drie tot vier keer op haar kleinkinderen in de Randstad past: „Als oma oppast zijn ze met een vertrouwd iemand en krijgen ze exclusieve aandacht.” Veronique van Ede (31) uit Maassluis denkt er net zo over. Haar twee dochtertjes gaan twee dagen per week naar de opvang; één dag per week komt haar moeder uit Kerkrade (460 kilometer retour). „Je wilt je kinderen ook bepaalde normen en waarden meegeven,” zegt ze „en je weet niet zeker hoe de leiding denkt.”

Naast inhoudelijke overwegingen scheelt oppas door opa of oma gewoon in de portemonnee. Dat speelt voor sommige respondenten ook mee. Van de dagopvanglocaties hanteert 65 procent een hoger uurtarief dan het maximum tarief (8,02 euro) dat door het Rijk wordt vergoed, bleek in juni uit een steekproef in opdracht van Brancheorganisatie Kinderopvang.

Foto John van Hamond

Grootouders laten zich niet betalen. Ze zeggen: we passen op uit liefde, niet om het geld. Ook de reiskosten, toch gauw een paar tientjes, zijn bijna altijd voor eigen rekening. „Regelmatig een bloemetje” is voldoende, zegt een 71- jarige grootouder.

Het zijn dan ook vooral „behoorlijk bemiddelde” mensen die de NRC-vragenlijst invulden, is Thoméses indruk. Dat verrast haar niet. Los van de reiskosten: ouders uit een hoog sociaal-economisch milieu zijn over het algemeen meer gericht op carrière en hebben daarom vaker opvang nodig. Vermogende grootouders vinden het doorgaans belangrijk, denkt Thomése, dat hun (schoon)kinderen carrière kunnen maken – en dat de kleinkinderen dan niet alleen maar naar een kinderdagverblijf gaan. Een 69-jarige grootouder schrijft bijvoorbeeld dat de ouders van haar drie kleinkinderen – een huisarts en tandarts – „hard gestudeerd” hebben en ze het zonde zou vinden als zij voor de kinderen thuis moeten blijven. Om de ouders te ontlasten past ze vijf tot zes keer per maand op, ruim 100 kilometer verderop.

Best intensief

Wie lang onderweg is, blijft meestal niet slechts een paar uurtjes. Vaak passen opa’s en oma’s minstens een hele dag op en bijna driekwart logeert altijd of wel eens bij de kleinkinderen. „Op één dag 400 kilometer rijden én oppassen is te vermoeiend”, zegt Yvonne Lefel (57) uit Kerkrade. Bovendien begint de oppasdag vaak ’s ochtends vroeg.

Lees ook: Wat is voor mijn baby de beste opvang?

In Den Bosch is het logeerbed van Froukje en Syb Tilstra al opgemaakt. Deze vrijdag en aanstaand weekend zijn extra oppasdagen; zoon Jorik (32, sportmarketeer) en schoondochter Kim (31, orthopedagoog) gaan naar een bruiloft. Handig dat ze op zijn ouders kunnen terugvallen, maar Jorik en Kim waarderen bovenal het sociale aspect. „We vinden het heel waardevol om te zien hoe vertrouwd Roos op pake en beppe reageert”, zegt Kim. „Het mooiste is dat iedereen hier zo van geniet.”

Froukje en Syb Tilstra (beiden 68), oma en opa én vaste oppas van Roos (2 jaar) en Daan (2 maanden).
Foto John van Hamond
Foto’s John van Hamond

Toch pasten ze in Roos’ eerste levensjaar nog niet op. Jorik: „We wilden mijn ouders een beetje beschermen.” Zijn vader heeft kanker gehad en oppassen op kleine kinderen is fysiek ook gewoon zwaar, zegt Kim. Valt mee, vindt Froukje Tilstra, maar „alles bij elkaar” is het wel best intensief. Syb: „De dag erna is het lekker om even rustig aan te doen.” Jorik en Kim proberen wat te ‘compenseren’ door ze hun pinpas mee te geven voor koffie en een taartje in de stad.

Lees ook: Mag ik me mengen in wat de kleinkinderen eten?

„We gaan ermee door zolang het kan”, zegt Hetty van de Bult (79) uit het Twentse Delden. Eens per twee weken passen zij en haar man Bert (ook 79) op in Houten, zo’n 140 kilometer met de auto. Doen ze al bijna achttien jaar. Eigenlijk zijn de drie kleinkinderen inmiddels zelfstandig genoeg, maar, zegt Hetty, „we zijn gek op de kleinkinderen en je maakt ze zo echt mee”. Toen haar man vorig jaar een hartinfarct kreeg, groeide wel het besef dat het ook zomaar over kan zijn. „Als mijn man geen auto meer kan rijden, wordt het wel een ander verhaal.”

Roos zwiert blij de lucht in: schommelen. Pake en beppe duwen, steeds hoger. “Ie, ie!”