Recensie

Recensie Boeken

De man die de potloden slijpt bij IKEA

Donald Niedekker Met een roman over een man die potloden slijpt bij de Ikea ontwikkelt Niedekker zich als de zenmeester van de Nederlandse literatuur. Hij neemt het gejaagde 21ste-eeuwse leven onder de loep.

Foto Remko de Waal/ANP

Wie ervan uitging dat Donald Niedekker (1963) na het vuistdikke en in zekere zin experimentele Wolken &c wel even achter de adem zou zijn komt bedrogen uit, want nog geen jaar later levert hij met Zo zie je alles nieuw werk af. Het is wel minder dik, waardoor je al snel geneigd bent het als een tussendoortje te beschouwen. Ten onrechte, de verteller ervan hoort gewoon niet in een dik boek thuis. Hij zou er met het schaamrood op de kaken uit weglopen. Zo’n broek zou echt te groot voor hem zijn.

Hij is wat je noemt een kleine man, zo’n man die je wel vaker in de literatuur aantreft (wie schrijft eens over kleine vrouwen?). Meestal zijn het ambtenaren of andere mensen die de schijnwerpers mijden en heimelijk toeleven naar de rust van het weekend, naar de grotere rust van het werkloze leven of naar de totale rust van de dood. De verteller behoort tot de tweede groep. Dertig jaar lang sleep hij potloden voor het filiaal van de Ikea in Groningen en nu staat hij op de drempel van zijn pensioen. Op een feest of een afscheidscadeau zit hij niet te wachten, liever biedt hij zijn collega’s iets aan. Hij zal elk van hen trakteren op een nauwkeurige maquette van het filiaal, die hij met engelengeduld bij elkaar knipt, vouwt en lijmt.

Met die thematiek van meditatie en onthechting is het ook helemaal verwant aan Wolken &c. Niedekker ontpopt zich zo langzamerhand als de zenmeester van de Nederlandse literatuur, met bespiegelingen over het gejaagde 21ste-eeuwse leven, (soms verrukkelijke) uitwaaierende zinnen en lange opsommingen in de traditie van Karel van ’t Reve. Vooral als Niedekkers verteller zijn oog en oor op de natuur richt, is hij niet snel door zijn woorden heen. Onder dit alles rust dan een lome, ouderlijke hartenklop waar je je dan als een drukke baby tegenaan kunt vleien. Zo is het openingshoofdstuk ontroerend mooi; de verteller stopt even met maquettes bouwen en verbindt zich, aangespoord door het klokgelui van de Martinitoren, met alles en iedereen die op dat ogenblik ergens op aarde óók een belletje hoort luiden. Ene ‘Jörgen Fischer uit Dresden’ bijvoorbeeld, die op dat moment ‘in München op het Marienplatz naar het torenuurwerk van het Neue Rathaus luistert’. Of ene ‘Mia de Waard’ die ‘het belletje van een ijscokar hoort’ en daardoor onmiddellijk een ‘pistachegroen waas voor ogen krijgt’. En dan is er nog Matthieu du Jardin, die opschrikt uit zijn gedut omdat het belletje van de oven klinkt. ‘Het brood is klaar!’ Het is als het ‘Om mani padme hum’ in Suske & Wiskes De parel en de lotusbloem, waarin je allemaal dieren zag die verliefd op elkaar werden nadat ze dit gebed hadden gehoord.

Wat echter blijft, zelfs of ook in een dun boekje als dit, is de worsteling met de retorische efficiëntie. De flashbacks naar zijn boerenjeugd zijn erg mooi, maar omdat Zo zie je alles vooral een boek met een mededeling is (makkers, staakt uw wild geraas & kijk eens wat beter) en niet van een verhaal, weet je het op een gegeven moment wel. Het is moeilijk met zo’n roerloos personage, maar middenin in de woelingen geplaatst had hij nog net iets meer indruk gemaakt.