Recensie

Recensie Vormgeving

‘Zitten op lucht’ komt uit een auto

Nauwe Verwanten Was het Mart Stam die met zijn achterpootloze buizenstoel als eerste op het briljante idee kwam van ‘zitten op lucht’? Of was het toch een anonieme ontwerper van een Tsjechische auto?

De achterpootloze autostoelen van de Tatra T12 uit 1926
De achterpootloze autostoelen van de Tatra T12 uit 1926

Dat kan mooier, dacht Ludwig Mies van der Rohe toen hij de schets zag van de Nederlandse architect Mart Stam voor een stoel zonder achterpoten. De Berlijnse architect en latere Bauhaus-directeur had Stams ontwerp eind november 1926 onder zijn neus gekregen tijdens een overleg met Europese architecten in Stuttgart over de Weissenhofsiedlung, de modelwijk van het Nieuwe Bouwen die een jaar later klaar moest zijn. Behalve hijzelf en Mart Stam leverden nog vijftien andere Nieuwe Bouwers, onder wie Le Corbusier, een bijdrage aan het nu beroemde wijkje in Stuttgart.

Terug op zijn bureau in Berlijn tekende Mies van der Rohe Stams revolutionaire stoel van gasbuizen, compleet met fittingen, op een tekenbord, en zei tegen een medewerker: „Lelijk, die fittingen zijn echt lelijk. Had hij maar ronde poten gemaakt.” Vervolgens voegde hij rondingen toe aan de rechte poten van Stams stoel. „Zo, dat ziet er beter uit”, zei hij over de verfraaiing die een jaar later zou uitmonden in zijn beroemde Weissenhof-Stuhl – de nog altijd geproduceerde B42 van fabrikant Tecta.

In 1928 kwam Bauhaus-ontwerper Marcel Breuer ook met een buizenstoel die leek op die van Stam: de B32 die ook nog altijd, door Thonet, wordt gemaakt. Een jaar later begon Peter Lorenz, de fabrikant die Stams stoel (maar dan wel van gewone stalen buizen) in productie had genomen, een juridische strijd tegen het recht van Thonet om de B32 te produceren. Hoewel Breuer zijn stoel andere maten en verhoudingen had gegeven en de buizen, anders dan die van Stams stoel, geen continue lijn vormen, oordeelde een Duitse rechter in 1932 dat de B32 een inbreuk was op Stams auteursrecht. De vorm van Stams Freischwinger, nu bekend onder de naam S33, kwam niet voort uit de eigenschappen van het materiaal, zo bepaalde hij, maar was een kunstzinnige uitvinding. Voortaan moest Thonet voor de B32 auteursrechten aan Stam betalen. Ook andere producenten van stoelen die leken op Stams oerstoel, zoals Gispen in Nederland, moesten later betalen, al dan niet gedwongen door processen. Tecta en Mies van der Rohe ontsprongen de dans: de rondingen van de B42 waren zo afwijkend dat die Mies’ stoel tot een op zichzelf staand kunstwerk maakten, vond de rechter.

Breuer heeft nooit kunnen verkroppen dat hij het proces verloor. Hij bleef volhouden dat niet Stam maar hij de achterpootloze stoel had uitgevonden. Twee jaar voor zijn dood in 1981 vertelde hij zijn biograaf nog dat hij zijn idee voor de Freischwinger tijdens een gezamenlijke treinreis aan Stam had verteld. „Uiteindelijk heb ik hem alles toevertrouwd, ik was nogal naïef”, zei hij.

Toch is Stam noch Breuer de uitvinder van de stoel zonder achterpoten. Al lang voor 1926 zaten in auto’s en vliegtuigen zulke stoelen van anonieme ontwerpers. Maar Otakar Mácel, de Nederlandse buizenstoeldeskundige van Tsjechische oorsprong, geloofde in 2007 niet dat Stam door autostoelen op het idee voor het ‘zitten op lucht’ was gekomen. De buizenconstructies van de autostoelen waren immers altijd door de bekleding aan het zicht onttrokken, legde hij uit in een interview in deze krant bij verschijning van zijn monumentale buizenstoelengids 2100 metal tubular chairs. A typology.

Maar volgens de Duitse architect Ferdinand Kramer, die ook bij het overleg in Stuttgart aanwezig was, was Stam wel degelijk door een autostoel geïnspireerd. In 1926 reed Kramer samen met Stam in een taxi van het merk Hanomag naar een diner van de Weissenhofarchitecten in een hotel, vertelde hij een halve eeuw later in een interview. Toen ze uitstapten, viel Stams blik op een vouwstoel van stalen buizen voor in de taxi en zei: „Zo’n stoel zou men moeten maken.” Tijdens het diner schetste Stam vervolgens op de achterkant van een uitnodiging voor een trouwfeest zijn gasbuizenstoel, zo gaat het verhaal over de eerste Freischwinger.

Probleem met Kramers herinnering is alleen dat de frames van de stoelen in de Hanomags uit de jaren twintig van hout waren, ontdekte de ook van oorsprong Tsjechische Britse designhistoricus Ivan Margolius in 2016. Maar daar had Margolius een oplossing voor. Kramer had zich vergist, schreef hij in een nieuwsbrief van de Friends of Czech Heritage: niet in een Hanomag reden hij en Stam in 1926, maar in een Tatra T12. In deze Tsjechische personenauto zaten voorin twee puntgave achterpootloze buizenstoelen met iets ronde vormen, waarvan het frame geheel zichtbaar was.

Maar de Tatra-stoel leverde weer een nieuwe kwestie op. Het vreemde aan Stams buizenstoel is namelijk dat die evolutionair gezien geen vooruitgang was maar een enorme achteruitgang. Hoe was het mogelijk dat Stam na het zien van geavanceerde Tatrastoelen met zo’n klungelige stoel van gasbuizen kwam, vroeg Margolius zich af. Hij gaf zelf het antwoord: de dogmatische functionalist Stam had zo’n afkeer van in zijn ogen onnodige, ronde vormen dat hij een hoekige buizenstoel wilde maken.

Erg overtuigend is dit antwoord niet. Want waarom schetste Stam een Freischwinger van gasbuizen, als hij in de Tatra T12 had gezien dat je van gewone, gladde stalen buizen een achterpootloze stoel kon maken? Waarschijnlijker is dan ook dat Stam niet uit dogmatisme maar uit slimheid zijn gasbuizenstoel schetste.

Stam had er handje van om auteursrechten op te eisen. Zo werd hij in 1928 op staande voet ontslagen als medewerker van het architectenbureau Brinkman en Van der Vlugt omdat hij bleef beweren dat hij, en niet zijn werkgevers, de opzienbarende Van Nellefabriek in Rotterdam had ontworpen. Met zijn knullige gasbuizenstoel wilde hij twee jaar eerder de indruk wekken dat hij als eerste op het briljante idee voor ‘zitten op lucht’ was gekomen. Iets later knutselde hij echt een achterpootloze stoel in elkaar van gasbuizen die onmiddellijk doorbogen toen iemand erop ging zitten. Dit laatste versterkte zijn claim dat hij de geniale uitvinder van de Freischwinger was: prototypes zijn tenslotte vaak gebrekkig.