Arnon Grunberg: wij moeten bij de kinderen blijven

Jeugdzorg Arnon Grunberg verbleef tien dagen in de gesloten jeugdinstelling De Koppeling in Amsterdam en schreef daar dagelijks over in NRC. „Ik wilde weten hoe kinderen hun opsluiting beleven.” Hier blikt hij terug op die periode.

Illustraties NRC

‘Wat deze kinderen me hebben geleerd is om een betere strijder te worden.” Dat was mijn conclusie na tien dagen in gesloten jeugdinstelling de Koppeling te hebben gezeten, waar ik zoveel mogelijk was behandeld als een van de jongeren. Geen sleutel, therapie en school, om half tien ’s avonds op de kamer, deur op slot. Het enige privilege ten opzichte van de andere kinderen was dat mijn telefoon mee mocht naar mijn kamer. Om praktische redenen – er moesten artikelen worden verstuurd – maar zonder had ik me ongetwijfeld pas echt afgesneden en vereenzaamd gevoeld. Dat gevoel is mij bespaard gebleven, hoewel je ook zou kunnen zeggen: dat gevoel ben ik misgelopen.

De uitspraak over de betere strijder vraagt om een kleine toelichting. Wat is een betere strijder? Wat is een strijder eigenlijk? En op wat voor manier hebben de kinderen me iets geleerd?

Om hierop antwoord te kunnen geven, moet ik een kleine omweg maken. In de zomer van 2015 liep ik een week met een psychiater van de Rotterdamse crisisdienst mee, waarover ik twee artikelen voor NRC schreef. Op een nacht kwamen we bij een vijftienjarig meisje dat op een politiebureau zat. Ze had geprobeerd zelfmoord te plegen met tabletten, de psychiater vond dat ze nog onvoldoende gestabiliseerd was. Ze werd naar een ziekenhuis gebracht waar we haar vroeg in de ochtend nog eens zagen. Het meisje lag in bed en gaf aan spijt te hebben dat ze niet dood was. Haar vader wachtte elders in het ziekenhuis op ons. Zijn dochter wilde hem niet spreken of zien. In mijn stuk noteerde ik over het kind: „Ze is zo iel dat ze bijna uit het bed lijkt te zweven.”

Over deze nacht heb ik diverse malen gesproken en geschreven, ook in een roman. Sommige herinneringen blijven zich met zoveel kracht aan je opdringen dat je ze niet kunt negeren. Voor een schrijver is het logisch dat hij er dan over schrijft. Ik denk niet zozeer dat je iets schrijft om iets te verwerken, voor zover we met verwerken achter je laten bedoelen, maar dat je wel kunt schrijven om de controle over een herinnering terug te winnen; niet langer word jij gecontroleerd door de herinnering, jij controleert zelf de herinnering, hoewel ik nu ik dit opschrijf besef dat dat misschien niet meer is dan een krachtige illusie.

Puzzelstukjes

Een jaar of twee na deze gebeurtenis stuurde de vader van het meisje mij een mail. Hij had indertijd toestemming gegeven dat ik bij de gesprekken was, meestal was ik daarbij als die toestemming werd verleend maar in zijn geval niet, en hij wilde graag met mij koffie drinken. Of ik naar Rotterdam wilde komen.

Dat wilde ik, al was het maar uit nieuwsgierigheid, hoewel ik vreesde dat hij mij zou gaan vertellen dat zijn dochter niet meer leefde. Ik vroeg me wel af waarom hij die informatie met mij zou willen delen.

We dronken koffie in een café vlakbij het Centraal Station van Rotterdam. De dochter bleek nog te leven, maar het ging niet goed met haar. Ze ging nog steeds van instelling naar instelling, ze wilde nog steeds dood. Wat hij van mij wilde, werd snel duidelijk. Hij vroeg wat ik me kon herinneren van die nacht in dat ziekenhuis in Rotterdam, of ik informatie had die hij niet had gekregen van de behandelaars van zijn kind.

Arnon Grunberg Foto Merlijn Doomernik

Ik had het idee dat die nacht hem net zo of vermoedelijk nog veel meer dan mij was blijven achtervolgen. Hij zocht puzzelstukjes om te kunnen begrijpen wat kennelijk niet te begrijpen viel.

Gelukkig had ik eraan gedacht mijn aantekeningen mee te nemen, maar er stond weinig anders in dan ik indertijd al in de krant had geschreven. De vader was teleurgesteld en het gesprek nam een onaangename wending toen hij vertelde dat het lijden van sommige mensen zo uitzichtloos was dat ze beter niet geboren hadden kunnen worden. Ik vond het onverdraaglijk om zo over een eigen kind te horen praten en brak het gesprek kort daarop af, wat niet bijzonder empathisch van me was. Het is wat te veel gevraagd dat andermans wanhoop en lijden alleen maar in aangename vorm tot ons komt, in sociaal wenselijke volzinnen.

Van de vader heb ik nooit meer iets gehoord, maar tijdens mijn verblijf in de Koppeling heb ik vaak aan hem gedacht. Ik had wel tegen de directie gezegd dat ik zo onbevangen mogelijk wilde rondlopen, en dat was geen leugen, maar toen ik eenmaal in de Koppeling arriveerde, speelde het geheugen op. Vanaf het moment dat men mij had verteld dat er een matras klaarlag naast de trap die ik moest beklimmen om naar mijn kamer te gaan, voor het geval kinderen zouden springen, vroeg ik me elke keer als ik die trap op- of afging of ik een paar weken of maanden later een mail zou krijgen van een ouder of verzorger of ik koffie wilde drinken en mijn aantekeningen van pakweg donderdag 29 augustus kon meenemen.

Tijdens mijn verblijf en ook nog daarna heb ik me een paar keer afgevraagd waarom de tijd in de Koppeling mij zo aangreep. Was een gesloten jeugdinstelling uitzichtlozer dan bijvoorbeeld slachthuizen en oorlogsgebieden?

Splinter

Dostojevski wist al dat er niets erger is dan de dood van een kind, waaraan ik kan toevoegen dat dat ook geldt voor het lijden van een kind. Het gaat als een splinter onder je huid zitten, een splinter in je voet die je er maar niet uit krijgt. Als je zit voel je er niets van, maar bij elke stap die je zet trekt een onaangename prikkel door je lijf.

Er waren echter ook andere herinneringen die op onverwachte momenten opspeelden. Geregeld moest ik denken aan de twee weken die ik in 2013 in een psychiatrisch ziekenhuis in België had doorgebracht op een afdeling voor psychotische patiënten. Psychiatrie, suïcidepreventie en jeugdzorg liepen door elkaar en als dat voor mij al zo was, hoe moest dat voor de kinderen zijn die dikwijls al jarenlang vanaf zeer jonge leeftijd van de ene instelling naar de andere zijn gesleept. Zouden zij geen last hebben van hun geheugen? Het uiteenvallen van het geheugen is een hel, maar het geheugen zelf is ook geen onverdeeld genoegen, zoveel was weer duidelijk.

Mijn dagen in de Koppeling waren echter niet alleen gekleurd door somberte en zwaarte. Integendeel, ik heb vreselijk gelachen. Soms hardop, soms besmuikt. Zo was er de haarborsteljongen, die, hoewel ik weet dat andere kinderen soms bang voor hem waren, mij vrijwel altijd opvrolijkte met zijn omarming van het absurde en zijn ongeremde en dikwijls ordeverstorende energie.

Mag je eigenlijk als buitenstaander lachen om dergelijk gedrag? Doe je recht aan het feit dat het hier gaat om een gesloten jeugdinstelling, waar we te maken hebben met kinderen met wonden? Kan de nadruk die ik leg op het komische niet begrepen worden als ontkenning van de wonden? In 2013 werd mij in het ziekenhuis in België verweten naar aanleiding van mijn stukken dat ik het lijden van de patiënten niet had gezien. Ik heb me dat erg aangetrokken, misschien ten onrechte, maar het is een kleine open wond waartoe ik me steeds opnieuw moet verhouden. Als ik het lijden niet zie, wat zie ik dan wel?

Toen orthopedagoog Sep mij vroeg of ik het lijden hier had waargenomen, prikte ze dan ook in die wond. Had ik het weer vergeten op te schrijven en had ik mij, uit angst allicht, geconcentreerd op de komische intermezzo’s, die elke dag, dat moet gezegd, volop aanwezig waren.

Waar deze kinderen mij op hebben gewezen, en nu kom ik bij die betere strijder, is hun weerbaarheid, hun aanpassingsvermogen, hun talent altijd weer mogelijkheden te zien, altijd waren er weer plannen om te ontsnappen, soms op verbazingwekkende wijze, de kinderen klommen over muren, die mij onneembare vestingen leken, en elke dag waren er wel gefluisterde en minder gefluisterde gesprekken over feesten in Abcoude en Diemen die konden worden bijgewoond.

Ik zou me zorgen hebben gemaakt als de kinderen zich volledig zouden hebben aangepast aan de instelling, het waren dan ook de kinderen die zich met overgave leken te identificeren met hun diagnose en die over de diagnose spraken als een eeuwige en onveranderlijke waarheid, die mij somber stemden. Maar ook bij die kinderen waren er momenten van ontsnapping, in de fantasie, in de taal, in een dansje, in een terloopse verwijzing naar een andere toekomst, in kritische reflecties op het eigen verleden.

Weerbaar

Ik heb mezelf wel eens als ontsnappingskunstenaar omschreven en ik meen dat je altijd ook bent waaraan je wilt ontsnappen, dat betekent niet dat mijn wereldbeeld zaligmakend is of het enige juiste, integendeel, maar het mag duidelijk maken waarom het mij makkelijk viel mij met de kinderen te identificeren. Er zijn altijd meer ontsnappingsmogelijkheden dan je denkt. En de mogelijkheden zijn nooit uitgeput.

Ik wil de kinderen niet op naïeve wijze verheerlijken. Natuurlijk weet ik dat er in de instelling kinderen zitten die bijvoorbeeld te kampen hebben met wat ‘verslavingsproblematiek’ wordt genoemd. Ik besef dat de verslaafde, zeker de intelligente verslaafde, een ongekend goede manipulator kan zijn. En het is mogelijk dat sommige van de kinderen zich ’s avonds in slaap huilen, maar zelfs als dat zo zou zijn, blijft de weerbaarheid die ik bij de kinderen overdag heb waargenomen overeind.

Van diverse kanten kreeg ik vragen over misstanden die ik zou hebben moeten aantreffen. Iemand die beweerde les te hebben gegeven in de Koppeling vroeg me of ik had gezien hoe erbarmelijk het onderwijs daar was. Kinderen opsluiten ís een misstand, of dat een noodzakelijke misstand is of niet, is een discussie die ik hier niet kan en wil voeren. Als ik met soldaten meega, gaat het me ook niet om de vraag of die oorlog gerechtvaardigd is. Die oorlog is er, en ik ga kijken hoe militairen dat doen, oorlog voeren.

Deëscaleren

De gesloten jeugdinstelling is er, ik wilde weten hoe kinderen hun opsluiting beleven. En binnen de misstand die zo’n instelling per definitie is, viel de repressie me mee. Ja, het fysieke geweld dat tegen de kinderen wordt uitgevoerd is, vermoed ik, altijd weer traumatiserend. Wellicht voor alle partijen. Of het noodzakelijk is of niet is wederom een vraag die ik hier niet wil beantwoorden. Ik volsta met de opmerking dat sommige begeleiders beter zijn in deëscaleren dan andere.

Zo woonde ik een keer een hevige en langdurige discussie bij tussen een begeleider en een veertienjarige jongen die soms ook fysieke vormen aannam, een deur dichtduwen terwijl de jongen die probeerde tegen te houden. De veertienjarige jongen was redelijker en verbaal sterker dan de begeleider, vond ik, en op een gegeven moment zei de jongen tegen mij: „Wil je alsjeblieft weggaan?”

Als je dat kan, zo’n gevecht voeren en dan ook nog vriendelijk aan de schrijver vragen of hij wil opzouten, dan kan je veel. Zeker, de kinderen zijn beschadigd, maar de meeste van hen zijn niet permanent gebroken.

Janusz Korczak, pseudoniem van Henryk Goldszmit, was pedagoog en leider van het Joodse weeshuis in Warschau tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij kon zich redden, maar hij wilde bij ‘zijn’ kinderen blijven, wetend dat die vernietigd zouden worden. Met circa tweehonderd weeskinderen wandelde hij naar de Umschlagplatz, vandaar zijn hij en de weeskinderen getransporteerd naar Treblinka, waar ze zijn vergast. Hij wenste de laatste weg die de kinderen liepen met hen mee te lopen.

Dergelijke moed kan van niemand worden verwacht en wordt gelukkig niet van ons gevraagd. Ik kan alleen zeggen dat ik de instelling verliet met dit aan een overtuiging grenzend gevoel: wij moeten bij de kinderen blijven.

Arnon Grunberg sprak deze tekst uit woensdag 25 september in De Koppeling tijdens een conferentie over jeugdzorg