Opinie

Haar schuchterheid is adembenemend

Joyce Roodnat Sloveense Mariabeeldjes leidden hun publiek via moederverdriet naar heiligheid, ziet columnist Joyce Roodnat. Bij een op straat dansende ballerina leggen juist de spitzen en tutu het verband naar het dagelijkse leven.

Joyce Roodnat

In een museum in Ljubljana zie ik drie vijftiende-eeuwse houten Mariabeelden. Drie moeders met hun dode zoon op schoot. Die zonen zijn net plankjes, gesneden volgens codes en tradities. Zo niet de vrouwen. Hun gezichten zijn de kern. Drie versies van peilloze smart. Gezwollen van het huilen. Kinderlijk niet-begrijpend. Strak van lijdzame woede. Eeuwig zijn ze herkenbaar, tot op de dag van vandaag: bezoek een expositie van World Press Photo en je ziet deze moeders. Maar hoe keek de middeleeuwse mens naar de beelden? Niet geïsoleerd, niet als museumstuk. De man en vrouw van toen kenden zo’n Maria uit de kerk en haar verdriet uit hun dagelijkse werkelijkheid.

Inmiddels ben ik in Triëst en kijk op een smal plein naar een ballerina. Ze danst niet, voorlopig zit ze op de grond, bezig met haar spitzen. Aandachtig schuift ze beschermers om haar tenen, doet kousjes eromheen. Schoentjes aan. Linten strikken. Alles zorgvuldig, ze neemt de tijd. En steeds meer mensen blijven staan.

Straattheater is verleiden. Het publiek kan zo weglopen en de straatartiest paait het met verbazende acts, gevaarlijk, ongelooflijk – niet voor die ene euro die de gemiddelde toeschouwer in je pet gooit, maar om hem te overwinnen.

Hier gebeurt eigenlijk niks bijzonders. Nu slaat de ballerina een postzakkleurige lap om, waaronder ze discreet de lange tutu verwisselt voor een korte. Ze rekt, ze strekt. Oké. Alles kits. Ze zet muziek aan. Het zwanenmeer, ballet for the millions. Ze concentreert zich. Verheft zich op haar spitzen. Haar armen worden vleugels. Ze danst. Het publiek ziet iets wat het niet voor mogelijk houdt, want dat is wat klassiek ballet doet. Maar dankzij die, bij nader inzien knap uitgevoerde, verkleedpartij, is het weerloos. De danseres zweeft, en dat doet ze op de punten van bekende tenen.

Piazza della Borsa, Triëst, 21 september Foto Joyce Roodnat

Klaar. Applaus. Munten in de doos. De menigte valt uit elkaar, verdwijnt in het zoute licht van Triëst.

Behalve dat kleine meisje. Ze staart nog steeds naar de danseres. Haar vader pakt haar hand, samen lopen ze naar haar toe. Daar aangekomen wordt het meisje een blozend bewonderbeestje. Haar schuchterheid is adembenemend.

Het doel van deze ballerina is niet dans, maar straattheater over de magie van de dans. Daarom zijn spitzen en tutu en het aankleden deel van haar optreden, die leggen het verband naar het dagelijkse leven. Voor het meisje is ballet een heilige gebeurtenis, daar heeft ze geen woorden voor. Maar die schoentjes zijn bekend. Die snapt ze. En die tutu ook.

De kunstenaars van de Sloveense Mariabeeldjes leidden hun publiek naar heiligheid via moederverdriet. Met verlegen herkenning als motor: ik zag dit, ik begrijp dit. Ik kan niet zeggen hoe of waarom, maar dit beeld, dat ben ik.