Opinie

‘Gewoon een mevrouw’

Frits Abrahams

In 2006 begint Françoise Kist (1947) een tweede leven. Ze heeft lang in het bedrijfsleven gewerkt en start met eigen geld op non-profit-basis een kantoor voor educatie van kansarme jongeren. Ik kende haar nog van de uitgeverij Balans, die ze daarvoor met haar man Jan Geurt Gaarlandt dreef.

Gefascineerd las ik in 2013 het interview dat Yaël Vinckx in NRC met haar over haar nieuwe werk schreef. Het begon zo: „Ze smeert boterhammen voor ‘haar’ jongens en meiden. Op dezelfde plek waar Françoise Gaarlandt-Kist en haar man ooit uitgeverij Balans bestierden, gaat nu een pot pindakaas rond. Ze kijkt moederlijk op de klok: ‘Abdullah, hoe laat moet jij vanmiddag schoonmaken in het ziekenhuis?’

Het was duidelijk dat haar leven niet meer om mooie boeken draaide, maar om jongeren in een bijna uitzichtloze situatie. Wie durft als zestiger nog zo’n keus te maken?

Jonge asielzoekers wisten haar snel te vinden. ‘Of ik je kan helpen, weet ik niet’, zei ze tegen de eerste. ‘Ik ben geen advocaat, ik ben geen maatschappelijk werker, geen psycholoog of dokter. Ik werk niet voor de overheid. Ik ben gewoon een mevrouw. Misschien kan ik met je meedenken? Kom maar binnen.’”

Onlangs verscheen het boek Ik doe krant waarin ze haar ervaringen met vooral jonge vluchtelingen – meestal jongens – beschrijft. Adriaan van Dis prees het boek als tafelheer van DWDD, hij noemde het „een ge-wel-dig boek”, waar hij beurtelings vrolijk en buitengewoon treurig van was geworden. Die emoties herkende ik maar al te goed, want ik had het boek net uitgelezen.

Kist schrijft soepel, laconiek proza, haar boek wordt nergens loodzwaar. Daardoor duurt het even voordat tot je doordringt hoe grimmig de beschreven werkelijkheid is. Zij komt als vrijwillige hulpverlener vooral in aanraking met jonge, uitgeprocedeerde asielzoekers. Ze waren daarvoor alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama’s), ze werden opgevangen en mochten een opleiding volgen, maar toen ze achttien werden, moesten ze het land uit. „Hij is inmiddels dik in de twintig”, schrijft Kist, „en klopt bij mij aan de deur. Iemand heeft hem naar mij verwezen.”

Kán ze hen helpen? Ja en nee.

Ze beschrijft haar ervaringen met een aantal jongeren. Hun namen heeft ze veranderd, maar het zijn heuse individuen, geen samengestelde personages. Kist schrijft: „Bijna ieder van hen zegt dat het grootste trauma van zijn vluchtverhaal ligt in de Nederlandse bureaucratie en hulpverlening. Niet in de vlucht zelf. Hoeveel hulporganisaties hebben zich niet op hen gestort?”

Als ze zich bij haar melden, hebben ze geen geld, geen huis en geen eten. Ze zoekt hen op in politiebureaus en detentiecentra, zorgt voor onderdak, neemt ze mee naar artsen die soms gratis willen helpen. Ook staat ze hen bij als ze ‘vrijwillig’ terugkeren naar het land van herkomst. Deze zijn de treurigste delen van het boek, want die terugkeer loopt doorgaans óók op een mislukking uit. „Ze leven weer in armoede, duurzaam zonder waardigheid, duurzaam zonder perspectief”, constateert Kist.

Toch heeft ze hen écht geholpen, vermoed ik. Door er voor hen te zijn op een moment dat verder niemand naar hen omkeek. In haar eigen woorden: „Ik wilde niemand weg hebben, ik gunde hun alleen maar het bestaan dat ik iedereen toewens.”