Opinie

Gevraagd: groot gebaar voor de nieuwe generatie

Paul Scheffer

Onder demografen is het een gangbaar inzicht: een overtal aan jongeren leidt tot veel veranderingszin in een samenleving, zeg maar gerust tot maatschappelijke omwentelingen. Zo werd onze opstand van de jaren zestig gedragen door babyboomers die zich losmaakten van de generatie die de wederopbouw vorm gaf. Inmiddels zijn we beland in de omgekeerde situatie: een samenleving met een overtal aan ouderen. Wat zijn de gevolgen van deze scheefgroei, die de komende decennia zal toenemen? Daar is minder studie naar gedaan, omdat er in onze contreien weinig voorbeelden van zijn. Maar het is wel de samenleving die voor ons ligt.

We zijn getuige van een enorme verandering. Was in 1900 nog 44 procent van de bevolking onder de 20 jaar, in 2018 was dat 22 procent. Het aandeel ouderen boven de 65 nam in diezelfde periode toe van 6 tot 19 procent. Die vergrijzing zet zich komende decennia door: in 2060 zal naar de huidige prognoses 26 procent, oftewel 4,8 miljoen mensen, 65 jaar of ouder zijn.

Over de economische gevolgen van deze grijze golf wordt nagedacht, maar er is weinig zekerheid over de culturele gevolgen. Sinds ik begin deze maand vijfenzestig werd, mag ik me die vraag wel stellen. Hoeveel ruimte krijgt veranderingszin in een samenleving met veel ouderen en weinig jongeren?

Die vergrijzing werkt door bij verkiezingen. In de meeste gemeenten vormen 50-plussers nu al een meerderheid van de kiesgerechtigden. Alleen in grotere steden is het iets anders: in Rotterdam was op 1 januari dit jaar 44 procent ouder dan vijftig. Bovendien is de opkomst van jongeren laag. Bij de laatste parlementsverkiezingen stemde 66 procent van de 18- tot 25-jarigen tegenover 89 procent van de 65-plussers.

Er bestaat een onmiskenbare neiging bij een oudere generatie – aangevoerd door de immer verontwaardigde Henk Krol – om verworvenheden af te schermen. Een korting op pensioenen versterkt die behoudzucht. Jongeren zouden zich meer zorgen kunnen maken, al zal hun onbehagen vast een andere vorm aannemen dan het aloude generatieconflict. De afrekening ligt misschien te ver in de toekomst.

De schrijver Philip Huff (1984) typeerde zijn generatie: „Het leven overkomt ons. Pas als je wegloopt of terugkijkt, denk je: ja, dat was wat het was. We doen wat ‘men’ doet. We houden de hele tijd in de gaten wat iedereen doet en doen dat óók.” Zijn indruk is dat veel leeftijdgenoten niet meer denken dat ze de wereld kunnen vormgeven (NRC, 19/9 2014). Ik weet niet of die schets klopt: onder mijn studenten is er genoeg betrokkenheid bij de wereld. En over het klimaat heerst geen gelatenheid. Maar het is waar: we moeten beter nadenken over de verhouding tussen de generaties. Het woord ‘duurzaamheid’ ligt menigeen terecht voor in de mond. Dat gaat toch ook over het besef dat er mensen aan je vooraf zijn gegaan en mensen na je zullen komen?

Huff is erg somber over de babyboomers. Hij denkt niet dat die generatie over haar eigen schaduw heen wil springen. Volgens hem zijn drastische ingrepen met het oog op de toekomst nodig: als jongeren onder de 18 geen kiesrecht hebben, waarom hebben bejaarden boven de 85 dat dan wel? Zijn wonderlijke argument deze maand in NRC: „Oude stemmers zijn slechte, niet-rationele, stemmers.”

Mensen op die manier hun burgerrechten ontnemen, is een pijnlijk misverstand. Er zijn betere manieren om jong en oud te laten samengaan. Lang gold dat de afbouw van de staatsschuld het middel bij uitstek was om komende generaties te ontzien. Maar mede door de demografische ontwikkeling is de rentestand laag: er zijn eenvoudigweg veel oudere mensen en die sparen meer dan gemiddeld.

Dat zal voorlopig wel zo blijven. De zorg om een oplopende staatsschuld – en dus een groeiende rentelast – is afgenomen. Al het goedkope geld dat nu vrijkomt maakt de zuinigheid minder nodig. In het parlement ging het vorige week over een fonds van vele miljarden – over de invulling hoorden we nog niet veel.

Het is geld op zoek naar een idee. Wat we nodig hebben, is een investeringsfonds dat is gericht op een nieuw contract tussen de generaties. Hoe zorgen we ervoor dat jongeren zich kunnen blijven ontplooien? Hoe gaan we ons land inrichten met die vraag in het achterhoofd? De roep om investeringen spreekt alle talent tot innovatie aan.

Een toekomstgericht idee zou oudere generaties kunnen verleiden om – net als de generatie van de wederopbouw voor hen – de vooruitgang van hun kinderen en kleinkinderen zwaarder te laten wegen in hun keuzes. Het zou de scheefgroei tussen jong en oud kunnen tegengaan. Ik denk dat velen hunkeren naar een groot gebaar.

Paul Scheffer is hoogleraar Europese studies.