Henny Vrienten

Foto Rogier Alexander/Top Notch

Henny Vrienten: ‘Een liedje moet kloppen. Het is een ambacht, niet veel meer’

Interview Deze week verschijnt ‘Tussen de Regels’, het nieuwe en misschien wel laatste album van Henny Vrienten. „Ik ben nu heel bewust autobiografisch te werk gegaan.”

Zijn 71 jaar zou je hem nog lang niet geven. Henny Vrienten (Hilvarenbeek, 1948) beweegt zich gemakkelijk tussen muzikanten van veertig jaar jonger. In zijn muziekstudio aan huis in een Amsterdams grachtenpand zit de gewezen popster nederig tussen de jonge mannen die hem deze septemberavond zullen begeleiden, bij zijn eerste optreden als ‘huiszanger’ in De Wereld Draait Door. Zoon Xander Vrienten (basgitaar), Bertolf Lentink (gitaar), Kees Schaper (drums) en Diederik Nomden (piano) spelen soepel mee met ‘Karnemelk met Bitterkoekjes’, het openingsnummer van Vrientens nieuwe album Tussen de Regels. Vijfstemmige zang klinkt tussen de ontzagwekkende verzameling gitaren, basgitaren en andere instrumenten aan de muur en op de vloer.

‘Love Me Do’ van The Beatles, een nummer waaraan gerefereerd wordt in de tekst van ‘Karnemelk met Bitterkoekjes’, wordt na snelle beluistering van het origineel ingestudeerd voor de toegift bij DWDD. Henny’s Engels klinkt onwennig. „Nog nooit eerder gezongen”, zegt hij over het brave Beatlesliedje. „Maar deze muziek zit in onze genen.” In een la vindt hij de juiste mondharmonica voor de intro. Diederik Nomden, bekend van Beatles-vertolkers The Analogues, speelt het meteen foutloos. Kees Schaper slaat het ritme met de handen op zijn knieën. Die avond zal Vrienten hem in DWDD aankondigen als „de enige echte Beatle in onze band”. De camaraderie van jongens onder elkaar druipt ervan af.

Tussen de Regels is deel drie van zijn gezongen autobiografie, meldt Henny Vrienten over het album dat met En Toch (2014) en Alles Is Anders (2015) zijn meest persoonlijke teksten in een bijna vijftigjarige muziekcarrière brengt. Eefje de Visser en Bertolf zingen erop mee. Het is „misschien wel zijn laatste werk”, speculeert de platenmaatschappij.

Vrienten begon ooit als solist. Onder de pseudoniemen Ruby Carmichael en Paul Santos had hij het eind jaren zeventig vergeefs als Engelstalig zanger geprobeerd. In 1977 speelde hij bij reggaeband Rumbones, met toetsenman Ernst Jansz die hem had aanbevolen bij Boudewijn de Groot. Als onderdeel van diens band toerden ze door Nederland en België, „in een ouwe eend achtervolgd door wietdampen”.

In 1980 trad Henny Vrienten als bassist en zanger toe tot Doe Maar en begon het grootste succesverhaal van de Nederpop in de jaren tachtig. De albums Skunk, Doris Day en Andere Stukken en 4Us werden Nederpopklassiekers. Doe Maar ging aan het eigen succes ten onder, toen ze als dertigers een publiek van gillende tienermeisjes trokken. Henny Vrienten werkte na 1984 vooral achter de schermen, als film- en televisiecomponist voor onder meer de speelfilm Abeltje, Het Klokhuis en Sesamstraat. Doe Maar maakte na 18 keer Ahoy’ in 2000 verscheidene, kortstondige comebacks. Met George Kooymans en Boudewijn de Groot treedt Vrienten nu regelmatig op als de gelegenheidsgroep Vreemde Kostgangers.

Dezelfde muziekstudio, een week later. Aan de muur Henny’s eerste gitaar. „Waar ik op oefende, week na maand na jaar”, zingt hij op de nieuwe plaat.

Als Paul Santos zong u ‘Love is a Strange Disease’. Is er een link met ‘Liefde is een vreemde ziekte’ uit ‘Smoorverliefd’ van Doe Maar?

„Dat is geen link maar een tunnel die wijd openstaat. Onder songschrijvers noemen we dat autoplagiaat. Daar rust geen verbod op. Ik schreef toen al veel langer liedjes, voor een muziekuitgever die een enorme bandrecorder bij me neerzette en me een klein maandloon betaalde. Daarvoor moest ik dertig liedjes per maand schrijven, voor artiesten als Frank & Mirella en De Twee Pinten. Het kerstalbum van The Cats met twee nummers van mij erop vervulde mij indertijd met trots. The Cats, dat was kwaliteitsmuziek. Achteraf ben ik dolblij dat het met Paul Santos niks is geworden. Mijn stem was dun, het Engels was slecht en ik was er duidelijk nog niet klaar voor.”

In ‘Paradijs Verloren’ zingt u over het hippieverleden. Was u een hippie?

„Ernst (Jansz) veel meer dan ik. Ik had lang haar en ik blowde, maar ik dronk er bier bij en dat was voor echte hippies not done. In de jaren zestig verloren de autoriteiten hun greep op de jeugd. Door die kanteling ontstond er veel vrijheid. Er was ineens een jeugdcultuur. De gitaar werd het instrument van de revolutie. Je kwam er langzaam achter hoe de wereld in elkaar stak. Tegenover alle misstanden die je ontdekte door de krant te lezen kon je alleen maar idealen stellen. Ik had ze wel, maar ze waren niet sterk genoeg om mij de barricade op te jagen.”

Van de ska- en reggae-invloeden bij Doe Maar is in uw huidige werk niets meer terug te vinden. Was u erop uitgekeken?

„Ik blijf het lekkere muziek vinden. Reggae heeft het tempo en het ritme van mijn hart. Bij Doe Maar had ik altijd het gevoel: wij lénen die muziek. Ik luisterde veel naar Toots & the Maytals en als ik een basriffje tof vond, dan draaide ik het om en gebruikte het. Maar je kunt niet je hele leven muziek uit een andere cultuur blijven spelen. Intussen heb ik ontdekt dat reggae alleen lukt met Ernst, Jan (Hendriks) en René (van Collem). De vier tellen van een maat vallen bij ons zo perfect in elkaar dat het gevoel er meteen is. Met andere muzikanten werkt het niet.”

Begon uw muzikale autobiografie niet al veel eerder, met ‘32 Jaar’ en ‘Pa’?

„Een groot deel van die Doe Maar-liedjes ging over mezelf. In het Engels kwam je nog wel eens weg met een onzintekst als ‘da do ron ron’ of ‘be bop a lula’. Maar in het Nederlands moest het ergens over gaan. Het verschil met dit recente materiaal is dat ik nu heel bewust autobiografisch te werk ben gegaan. De titels van het drieluik vormen één geheel: ‘En toch, alles is anders, tussen de regels.’ De hele boodschap krijg je nooit, zeker niet van mij. Alles wat hartverscheurend is, of beschamend, of juichend, dat blijft tussen de regels. Zelfs in een oprecht lied over mijn jeugd zoals ‘Karnemelk met Bitterkoekjes’ hou ik dingen achter. Soms moet je de waarheid naar je hand zetten als dat nodig is om het liedje kloppend te maken.”

Komt de inspiratie ’s nachts als het raam openstaat, zoals Paul McCartney beweert?

„Inspiratie is een kwestie van de juiste voorwaarden scheppen. Voor mij is dat een leeg huis, telefoon uit en een stuk of vier bakken koffie. In de tijd dat ik filmmuziek maakte, jarenlang iedere dag opnieuw, ging het de ene dag wat beter dan de andere. Het woord inspiratie heb ik altijd vermeden. Concentratie was het belangrijkst. Liefst werkte ik tijdens kantooruren. Mijn vader was timmerman. Als hij een stoel maakte, zocht hij het juiste hout en was hij lang met de vorm bezig. Hij verdiende weinig omdat hij altijd de beste materialen en te veel tijd in zijn werk stopte. Hij was een bezeten iemand die mooie dingen wilde maken. Ik vergelijk mijn werk daar vaak mee. Een liedje moet kloppen, de tekst moet goed lopen. Het is een ambacht, en niet veel meer dan dat.”

In ‘Museum van Weemoed en Gemis’ zingt u over vergeten dromen, verloren tijd en uitgestelde daden. Hoort die zelfreflectie bij ouder worden?

„Als je belooft met autobiografisch werk te komen moet je natuurlijk wel iets van jezelf laten zien. Ik ben een ex-katholiek, dus schaamte en schuldgevoel zitten diep in mij. Ik dacht: laat ik al die dingen op een hoop gooien en ze in een museum stoppen. Dan ben ik ervan af. Naarmate ik ouder word, denk ik vaker aan het verleden. Soms als ik op de fiets zit, komen er dingen van vroeger terug waar ik jarenlang niet aan gedacht heb. Maar oud en versleten voel ik me nog geenszins.”

Dit is uw laatste plaat?

„Met Doe Maar doen we alleen nog dingen waar we zin in hebben, zoals de clubtour vorig jaar. Mijn twee oudste zoons, die niet scheutig zijn met complimenten, zeiden na de show in Carré: ‘Pa, je zweefde twintig centimeter boven het podium.’ Mensen vergeten wel eens wat een goed bandje we zijn. Bij de Vreemde Kostgangers voel ik me een bevoorrecht mens. George Kooymans is voor mij de beste gitarist van de wereld. Daar kan ik uren naar luisteren. Met mijn solowerk ga ik niet meer de theaters in. Dit drieluik maakt het rond. Ik heb nog wel het woeste idee om hierna muziek te maken die ik alleen live ga spelen. Twintig liedjes die niemand kent. Als je ze wilt horen, moet je komen luisteren. Net als in de negentiende eeuw.”

Tussen de Regels verschijnt 27/9 bij Top Notch. Henny en Xander Vrienten vormen dit televisieseizoen de huisband bij De Wereld Draait Door.