Opinie

Cash is het nieuwe goud aan het worden

Maarten Schinkel

Misschien klinkt het volgende bekend: je hebt iets verkocht via Marktplaats, en bent daarvoor vriendelijk betaald met cash. En die bankbiljetten zitten vervolgens twee maanden lang werkeloos in de binnenzak. Er is al vrijwel geen bestemming meer voor munten en bankbiljetten. Of beter gezegd: het alternatief, pinbetalingen, is te aantrekkelijk geworden. Ook bij de supermarkt. Je kunt daar zo’n vijftig-eurobiljet wel stukslaan, maar dan zit je vervolgens weer met wisselgeld. Muntjes. Gedoe.

Het aantal pinbetalingen stijgt al tijdenlang jaar op jaar met gemiddeld meer dan tien procent. Vorig jaar werden in Nederland al 4,3 miljard betalingen elektronisch verricht, driemaal zoveel als in 2007. In de rest van de eurozone is het niet anders, al zijn er verschillen van land tot land. Duitsers, gehecht aan privacy, houden lang vast aan cash. In 2017 droegen ze nog driemaal zoveel contanten bij zich als Fransen. Maar begin dit jaar oversteeg ook in Duitsland het aantal pinbetalingen voor het eerst het aantal cash-transacties.

Daarom is het zo opvallend dat, geheel tegen het gevoel in, het aantal bankbiljetten in omloop in de eurozone maar blijft toenemen. In absolute zin steeg de waarde van euro-bankbiljetten in omloop in augustus naar 1.251 miljard euro, een toename van 4,9 procent ten opzichte van een jaar daarvoor. Die groei is hoger dan de nominale omvang van de euro-economie. De waarde van al de cash in omloop is inmiddels 10,6 procent van de omvang van het bruto binnenlands product. En dat is, geloof het of niet, een record.

Hoe kan dat? Het antwoord daarop moet beginnen met de constatering dat de geldhoeveelheid in zijn geheel enorm blijft groeien. Niet alleen cash neemt absoluut en relatief toe. Oók cash plus wat er op bijvoorbeeld betaalrekeningen staat (de zogenoemde M1). Een kleine twintig jaar geleden, ten tijde van de fysieke invoering van de euro was M1 27 procent van het bruto binnenlands product. Tien jaar geleden was dat al 50,5 procent en dit jaar, voorlopig, al 74 procent. Ook de brede definitie van de geldhoeveelheid, de M3 (inclusief bijvoorbeeld termijndeposito’s), steeg in twintig jaar van 66 procent naar 108 procent van het bbp.

Het aantal bankbiljetten in omloop stijgt, absoluut én ten opzichte van de economie

De wetmatigheid schrijft voor dat als de geldhoeveelheid stijgt ten opzichte van de economische bedrijvigheid, terwijl zich geen noemenswaardige inflatie voordoet, er maar één verklaring overblijft. De omloopsnelheid van geld is kennelijk afgenomen. En niet zo’n beetje ook. Dat houdt in dat geld langer wordt vastgehouden.

En zo komen we vanzelf op de steeds lagere en uiteindelijk negatieve rentes van de afgelopen jaren. Nu de bankrekening vrijwel geen rente meer betaalt, maakt het plots niet meer uit dat je op cash óók geen rente krijgt. Hoewel minister Hoekstra (CDA, Financiën) deze week op Kamervragen terecht antwoordde dat de rente volgens de ECB tot onder de nul zou moeten dalen om mensen ertoe te brengen geld van hun rekening te halen in ruil voor cash, is er toch al een beweging naar contant geld aan de gang. Niet, zoals misschien mag worden verwacht, bij grote coupures van 200 en 500 euro die vooral in het buitenland of de schimmiger delen van de economie populair zijn – de ECB is al gestopt met nieuwe 500-biljetten. Het zijn de vijftigjes, de cash van de doorsnee burger, die het allerhardst in aantal groeien.

Maar wacht: als er niet meer mee betaald wordt, en het alleen nog de functie van waardedrager of oppotmiddel heeft, wat is cash dan nog? Er zit geen rente op, het wordt nauwelijks uitgehold door inflatie. Er is niet veel fantasie voor nodig om te zien dat cash, die biljetten die je gewoon vast kunt houden, behoorlijk in de buurt komt van een nieuw soort goud. En het is nog lichter ook.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.