Opinie

Licht uit

Ellen Deckwitz

Afgelopen weekend kwam het neefje (10) logeren en daarbij hoort nog steeds een uur voorlezen voor het slapengaan. Toen ik het boek (voor de vierde keer lezen we De brief voor de koning) dichtsloeg en het licht uitknipte, pakte hij mijn hand vast.

„Blijf je nog even hier? Gewoon gezellig?” Natuurlijk, en zo lagen we samen in het duister naar het plafond te staren. Hij is een van de weinige kinderen die geen nachtlampje wil. In tegenstelling tot zijn oudere broer (13) moet bij hem zelfs het ganglicht uit als hij wil slapen. Soms vraag ik me af of hij wel echt familie is. Als kind kon ik echt niet slapen in het donker. De kriebels begonnen al als mijn moeder of vader het voorleesboek dichtsloeg, want daarna ging alles bergafwaarts. Het licht moest uit, de ouder verdween en liet je alleen om maar in dat schemerdonker af te wachten tot je eindelijk uitgeput genoeg was om de dromen ingesleurd te worden. Het was jarenlang hetzelfde verhaal: wanneer het licht afnam, nam de vrees toe: voor vampieren, inbrekers, Satan, Marc Dutroux. Misschien hielden die angsten niet eens zozeer verband met de aanwezigheid van het duister maar vooral met de afwezigheid van ouders. Ik bedoel, we beginnen ons leven in een behoorlijk donkere buik, maar dan hebben we tenminste wel die geruststellende hartslag van een moeder boven ons en een gezellig kloppende navelstreng vol voedingsstoffen (en een incidenteel nicotinemolecuul) waardoor je je verbonden en beschermd weet.

Maar ja, eenmaal uit die baarmoeder en minder afhankelijk van de placenta is het duister opeens een stuk dreigender. Ik had dat lampje op de overloop nodig, als belofte dat de nacht voorbij zou gaan, dat het weer ochtend zou worden en alles weer zichtbaar zou zijn. Zolang je alles kon zien was je veilig, dacht ik toen nog.

Ondertussen had mijn neefje zijn slaapmasker opgezet zodat zijn slaap straks ook niet door de eerste zonnestralen zou worden aangetast.

„Jij bent echt niet bang voor het donker hè”, zei ik tegen hem.

„Ik kan er prima tegen, totaal geen problemen mee”, zei hij monter.

„Waarom wil je dan dat ik na het licht uitdoen nog altijd even naast je lig?”, vroeg ik, iets scherper dan bedoeld.

Hij haperde even, voelde zich misschien betrapt. En dan:

„Ik vind het gewoon zo gezellig.”

En:

„Het is zo fijn om naast elkaar te liggen en niets te moeten.”

Om te besluiten met:

„Het wordt bij mij altijd wat warmer van binnen wanneer het licht eindelijk verdwijnt.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.