Geen kopje

leert expats Nederlands. Afl. 5

Het werd steeds moeilijker voor de Amerikaan tegenover me om nog de vrolijke gemakkelijkheid uit te stralen die hij normaal etaleerde. We waren in onze zevende les. Hij kon nog niks zeggen in het Nederlands.

Gekomen om zijn expertise als ceo aan te bieden bij de Europese tak van het Amerikaanse concern, werd hij ermee geconfronteerd dat niet iedereen Engels sprak in Nederland. Er was zelfs een pijnlijk moment geweest met een loodgieter die hem niet had kunnen helpen omdat hij niet over de woordenschat beschikte om uit te leggen wat er mis was.

Hij had er eigenlijk geen tijd voor maar hij wilde deze uitdaging natuurlijk wel aannemen. Hij kwam per slot uit het land van pioniers! Hij nam toch ook de uitdaging aan om zijn chocoladerepen te promoten in een maatschappij die steeds vijandiger werd ten opzichte van suiker. De eerste les legde hij me uit, in het Engels, dat je zijn product niet heel moet eten maar in stukjes moet snijden, dát was de manier om een candybar te savoureren. Verantwoord en economisch.

We waren bij hem thuis en het was avond, hij had geen tijd om overdag naar de leslocatie te komen. Er was mij ook gevraagd of ik hem les wilde geven terwijl hij naar de tandarts ging. „Hij heeft dan tijd want hij heeft een chauffeur.” Ik had niet geweigerd; ik had mijn wenkbrauw opgetrokken. Mijn Nederlandse leidinggevende moest ook lachen, maar zenuwachtig, want het was natuurlijk wel een heel goede klant.

„Het lijkt me niet dat ik hem in de auto de kwaliteit kan geven die we gewend zijn te leveren.” Nee, dat leek hem eigenlijk ook niet. Ergens was ik natuurlijk wel nieuwsgierig hoe dat zou zijn, lesgeven op de achterbank van een Mercedes, maar dat gevoel onderdrukte ik streng. Je hebt natuurlijk ook nog je principes.

Het zat de Amerikaan dus gewoon niet mee in dit speldeprikje aan de rand van Europa. En dan nu die docente die maar bleef wauwelen in onbegrijpelijk koeterwaals terwijl ze vloeiend Engels sprak. Er was hier duidelijk een gebrek aan perspectief.

Ze had weer dat kinderachtige boek voor zich met plaatjes van mensen die naar de markt gingen om een kilo tomaten te kopen en mensen die maar bleven vragen hoe oud je was en waar je vandaan kwam. Ze begreep het niet: zijn tijd was kostbaar.

Opeens onderbrak hij me, zijn joviale glimlach was verdwenen, hij zag er vermoeid uit. „Oké”, zei hij, rustig, redelijk. Hij strekte zijn hand uit naar het kopje dat ik hem het laatste halfuur had proberen te verkopen met de bezweringsformule „dit is een kopje”. Hij legde zijn vlakke hand er zachtjes op en zei langzaam en duidelijk: „Why don’t you say cup?

In verband met de privacy zijn herkenbare details aangepast