1,8 miljard liter water per jaar om lekker te hockeyen

Duurzaamheid ‘Watervelden’ zijn de internationale standaard voor het spelen van tophockey. Maar als het aan wereldhockeybond FIH ligt, niet lang meer. „Iedereen ziet dat het waterverbruik voor hockey een probleem is.”

Het Wagenerstadion wordt beregend met 9.000 liter water per keer.
Het Wagenerstadion wordt beregend met 9.000 liter water per keer. Bastiaan Heus

Met een druk op de knop wordt het hockeyveld van het Wagenerstadion in Amstelveen door acht sproeiers binnen twaalf minuten beregend met 9.000 liter water. Op een doordeweekse trainingsdag gebeurt dat gemiddeld vier keer, op wedstrijddagen minimaal acht keer.

Met het hockeyseizoen is in Nederland ook het beregenen van de 286 kunstgrasvelden weer begonnen. Elk seizoen wordt daarvoor in Nederland zo’n 1,8 miljard liter water gebruikt, daarvan kunnen 2,5 miljoen elftallen douchen. Het is gelijk aan het waterverbruik van de inwoners van provincie Utrecht voor ruim elf dagen.

Deze zogeheten ‘watervelden’ zijn de internationale standaard voor tophockey, en zeker in Nederland waar de helft van de 322 clubs minimaal één zo’n veld heeft. De Koninklijke Nederlandse Hockey Bond (KNHB) adviseert clubs die hogerop willen ook er een aan te schaffen. Maar voor hoelang nog?

Niet duurzaam

De Fransman Thierry Weil, directeur van wereldhockeybond FIH vindt dat het zuiniger moet. Als het aan hem ligt wordt tijdens de Olympische Spelen van Parijs in 2024 op een ander soort, waterloos veld gespeeld.

De uitspraak van Weil leidde tot verontwaardiging bij clubs en kunstgrasfabrikanten. De Nederlandse fabrikant TenCate – dat erkent dat het huidige watergebruik niet duurzaam is – is bezig met de ontwikkeling van een veld dat niet besproeid hoeft te worden. Maar volgens onderzoeksdirecteur Colin Young „voldoen die systemen nog niet aan de hoge verwachtingen”.

De moderne hockeyer wil vasthouden aan het spel van nu. Zo roemt international Kelly Jonker van hockeyclub Amsterdam de snelheid van de watervelden. „Spelers kunnen glijden, de bal kan stuiteren en de kans op blessures is kleiner. Voor het Nederlands team is het écht een voordeel, omdat we houden van snel hockey. Hoe sneller het veld is, hoe meer voordeel we hebben.”

Leidingwater

De kunstgrasvelden in Nederland worden beregend met water dat afkomstig is uit verschillende bronnen. Grofweg valt te stellen dat clubs in het westen van het land overwegend gebruikmaken van leidingwater, in het oosten wordt vaker grondwater gebruikt. Ook het Wagenerstadion van de KNHB wordt beregend met leidingwater. De keuze voor oppervlakte water, bijvoorbeeld uit slootjes, wordt door clubs niet vaak gemaakt vanwege het risico op algengroei – wat de velden glibberig en gevaarlijk maakt.

Er bestaan systemen die onder ideale omstandigheden – weinig wind, een gemiddelde temperatuur en een hoge luchtvochtigheid – ongeveer driekwart van het gesproeide water kunnen terugwinnen.

Het Wagenerstadion beschikt over een dergelijk systeem. Achter het stadion zijn daarvoor twee betonnen opslagtanks geplaatst. Water dat door het veld in de bodem zakt, wordt naar die opslagtanks geleid en hergebruikt. Ook regenwater dat op het veld valt, wordt opgevangen en gezuiverd. Als de tanks verzadigd zijn, wordt het water geloosd in een nabijgelegen sloot. De kosten van zo’n systeem liggen tussen de 8.000 en 35.000 euro.

Voor de meeste clubs zijn dergelijke systemen financieel niet haalbaar. De aanleg van een waterveld kost rond de 450.000 euro, terwijl gemeenten meestal tot maximaal 300.000 euro subsidie verlenen. Het financiële gat moeten hockeyclubs zelf dichten.

Een waterbesparend systeem is dan vaak het eerste waarop wordt bezuinigd, weet ook oud-international Floris Jan Bovelander. „Hockey is een amateursport. Bij hockeyclubs, van de top tot onderin, wordt ieder dubbeltje omgedraaid. Veel verenigingen kunnen zo’n investering op dit moment niet lijden.”

NRC Studio

Terug naar zand

Het ouderwetse ‘zandveld’, kunstgras dat met zand is ingestrooid, zou uitkomst kunnen bieden. Die velden hoeven niet te worden beregend en zijn dus duurzamer. Maar zandvelden raakten uit de gratie toen watervelden goedkoper werden. In 2018 was nog slechts 16 procent van de nieuwe velden een zandveld.

De huidige generatie moet er niet aan denken terug te gaan naar ‘zand’, zegt Jonker. Een zandveld zou het spel volgens haar te veel vertragen. „Dat is een gigantische stap terug. Ik weet niet of daar genoeg draagvlak voor zou zijn en of hockey dan nog aantrekkelijk is om te volgen. Het zal in ieder geval niet helpen om de sport olympisch te houden.”

Bovelander opperde zelfs al eens het idee om terug te gaan naar natuurgras. Sinds de introductie van kunstgras in de jaren tachtig wordt daar nog nauwelijks op gespeeld. „Ik weet ook wel dat het niet kan, maar we moeten er toch eens over na gaan denken”, zegt Bovelander nu. „Het hoeft niet altijd alleen maar beter en sneller, want dan zijn er straks nog maar vier landen die kunnen aanhaken.”

Dat is een van de dilemma’s. Hockey wil graag een wereldsport blijven om de wankele olympische status te behouden. De sport moet daarvoor snel en spectaculair blijven, maar ook verduurzamen om zo inclusiever te worden. Jonker denkt dat zolang er geen alternatief voor het waterveld is, de hockeybonden ook niet zullen kiezen voor een terugkeer naar zand.

Daar denkt Bovelander anders over. „Kunstgras vormt een probleem voor de mondiale ontwikkeling van de sport. Om internationaal mee te doen, zijn landen verplicht watervelden aan te leggen. Dat is een pittige investering. En wat te denken van landen die te maken hebben met waterschaarste. Daar kunnen ze het water beter drinken, of over het land sproeien.”

Onhoudbare situatie

Bovelander gelooft dat een terugkeer naar zandvelden alleen kans van slagen heeft als de internationale topspelers willen meewerken. „Anders wil iedereen zijn waterveld houden. Een zandveld is ook goed. Het zou helemaal niet gek zijn als we dat ook met z’n allen gaan vinden.”

Maar onder de speelsters van Oranje leeft het waterverbruik niet, zegt Jonker. „Misschien als er in Parijs een ander veld komt te liggen. Nu zijn we bezig met de Spelen van Tokio, waar we gewoon op een waterveld spelen. We zijn als team bereid om alternatieven te proberen die de sport zo toegankelijk mogelijk maken, als het spel maar net zo snel blijft.”

Toch lijkt de huidige situatie op de langere termijn onhoudbaar. „Iedereen ziet dat het waterverbruik een probleem is”, zegt Bovelander. „Het zijn megahoeveelheden die er jaarlijks gesproeid worden.” En dat tophockey op een waterloos kunstgrasveld trager wordt, daar zit hij niet mee. „Ach, dan kunnen we het op tv ook weer eens volgen.”