Opinie

Quotum lost oorzaak achterstand vrouwen in bedrijfstop niet op

SER-advies

Commentaar

Een quotum of niet? Dat blijft altijd weer de cruciale vraag als het gaat om het bereiken van een evenwichtiger man-vrouwverhouding in de top van het bedrijfsleven. Tegenwoordig is de vraag verbreed: ook de zeer sterke ondervertegenwoordiging van mensen met een niet-westerse migratieachtergrond in raden van bestuur en raden van commissarissen van bedrijven vraagt om extra maatregelen.

Het omvangrijke advies dat de Sociaal-Economische Raad (SER) op verzoek van het kabinet over de diversiteitskwestie in het bedrijfsleven heeft uitgebracht, komt tot een voor Nederlandse begrippen vergaande maatregel. Om meer vrouwen in raden van commissarissen benoemd te krijgen stelt het adviesorgaan een „ingroeiquotum” voor. Het betekent dat de raden van commissarissen van de 88 beursgenoteerde bedrijven voor minimaal 30 procent uit vrouwen moeten bestaan. De bedrijven die dat percentage nog niet hebben bereikt – en dat geldt ondanks alle intentieverklaringen en wettelijke streefcijfers helaas nog voor tweederde van de betrokken ondernemingen – zullen bij een vrijkomende plaats alleen nog een vrouw mogen benoemen. Zo niet, dan blijft de plaats leeg.

In Duitsland geldt deze bepaling al vanaf 2016. Sindsdien is daar het aantal vrouwelijke commissarissen gestaag toegenomen. Dat zal in Nederland ook gebeuren als het tot een wettelijke quotumregeling komt. Maar er is nu ook al sprake van een toename, zij het tergend traag. De 30 procent is in aantocht. In materiële zin maakt het niet veel uit. Bovendien is het aantal in aanmerking komende bedrijven – ze moeten beursgenoteerd zijn – beperkt. Belangrijker is dan ook de voorbeeldfunctie, of zoals het in het advies van de SER wordt genoemd, het „vliegwieleffect”. Meer vrouwen aan de top zullen ook leiden tot meer vrouwen in de rest van het bedrijf.

Dat geldt dan allereerst de raden van bestuur en de subtop in de ondernemingen. Dáár zit het echte probleem, zoals het advies op pijnlijke wijze vaststelt. Van het eerder geformuleerde vrijwillige streven om de bovencategorie voor 30 procent uit vrouwen te laten bestaan, is niets terechtgekomen.

De beschamende wanverhouding aan de top heeft weer haar doorwerking naar de samenstelling van de beroepsbevolking waar Nederland op vier van de zes bepalende indicatoren in Europa hekkensluiter is, stelt de SER vast. Nederlandse vrouwen werken het minste aantal uren in een betaalde baan, hebben gemiddeld het laagste maandloon, nergens in Europa hebben zo weinig vrouwen een managementfunctie, en nergens kiezen zo weinig meisjes een bètastudie.

Wat het allemaal nog treuriger maakt is dat de cijfermatige constateringen in dezelfde mate gelden voor de vertegenwoordiging van mensen met een niet-westerse achtergrond. Ook hier lopen de uitgesproken goede voornemens mijlenver achter bij de praktijk. Het witte, mannelijke bastion is steeds minder een afspiegeling van de maatschappij – of, toepasselijker in dit verband: de markt – maar blijkt slechts in zeer beperkte mate tot verandering in staat.

Dan maar een quotum dus? Afgezien van het feit dat deze maatregel in het SER-advies louter voor raden van commissarissen van beursgenoteerde bedrijven geldt en alleen de man-vrouwverdeling betreft, gaat het in de kern om een cultuur- en mentaliteitsprobleem. Het is en blijft niet aan de overheid om zich zo dwingend te bemoeien met benoemingen in private ondernemingen. Een probleem dat tussen de oren zit wordt niet opgelost met wettelijke quota.