Opinie

Journalisten hebben de toestemming van niemand nodig

Antiterreur

Commentaar

Dient de minister van Justitie en Veiligheid voortaan aan journalisten en hulpverleners expliciet toestemming te verlenen om in Syrië te werken of andere gebieden waar terroristen de dienst uitmaken? En moeten zij die zonder goedkeuring afreizen een jaar cel in of 8.300 euro boete betalen? De Tweede Kamer ging akkoord met dit onzalige plan van minister Grapperhaus (Justitie, CDA). Alleen voor het Rode Kruis is een uitzondering gemaakt.

Dinsdag behandelt de Eerste Kamer het voorstel. Gehoopt mag worden dat men hard op de rem trapt. Dit dubieuze voorstel maakt van journalisten en hulpverleners per definitie terreurhelpers, louter door hun aanwezigheid in een bepaald gebied, tenzij ze zich hebben aangemeld. Zeker wat Nederlandse oorlogsverslaggeving betreft is er geen enkele aanwijzing dat zich dit ooit heeft voorgedaan. In die zin is dit wetsvoorstel een sprekend voorbeeld van een oplossing op zoek naar een probleem. Tenzij het probleem natuurlijk de aanwezigheid überhaupt van Nederlandse media in conflictgebieden is. Dan stelt Grapperhaus hier persbreidel voor, onder het mom van anti-terreur. En houdt hij er een register van reizende oorlogsjournalisten aan over – ook dat is buiten proportie.

De maatregel zelf is ongerijmd. De Raad van State wees er al op dat het kabinet uit het wetsvoorstel Versterking strafrechtelijke aanpak terrorisme de strafbaarstelling van het loutere verblijf voor iedereen juist heeft geschrapt. De ervaringen met terugkeerders uit Syrië en Irak, die met héél andere motieven afreisden, leerde dat zo’n ‘extra’ strafbaarstelling overbodig is. De groep strijders kan makkelijk worden vervolgd op basis van hun daden; het bewijzen van iemands fysieke aanwezigheid in een bepaalde regio blijkt ook erg moeilijk. Dergelijk voortschrijdend inzicht heeft echter de journalisten niet bereikt. Die zijn niet alleen bij voorbaat verdacht gemaakt maar ook meteen strafbaar zodra ze, ongeregistreerd, hun eerste stap in terroristisch gebied zetten. Let wel, dat geldt dus niet voor Nederlanders die daar daadwerkelijk willen vechten. Die zijn pas strafbaar na het eerste schot.

De bezwaren zijn legio. Om te beginnen manoeuvreert de Nederlandse overheid zichzelf in de ongewenste positie van goedkeurende instantie. Daarmee is iedere journalist met afreistoestemming min of meer ‘embedded’ als vertegenwoordiger van de Nederlandse staat, die zijn reis immers goedkeurde. Dat is niet alleen risicoverhogend maar lokt actief gevaar uit voor de journalisten en hulpverleners die zich met zo’n verplicht stempel in een dergelijk gebied mogen wagen. Zij arriveren tegen wil en dank voortaan óók als vertegenwoordiger van een EU-lidstaat, Navo-lid, Westers en seculier land dat zich in allerlei ad hoc allianties pleegt te begeven, vanuit welbegrepen eigenbelang. Leg dan als oorlogsreporter maar eens uit dat je juist onafhankelijk bent, in grote vrijheid mag werken met een democratisch doel voor ogen – het informeren van de burger zodat die een eigen mening kan vormen. Hun onafhankelijke beroep is het enige krediet dat journalisten in hybride situaties in conflictgebieden hebben – hun camera, hun microfoon, hun pen en hun notitieblok. De provisorische duct-tape letters TV op de motorkap, het ID-bewijs van het eigen medium. Een journalist is voor iedere strijder in ieder woestijngat nog herkenbaar.

Wie meent dat te moeten vervangen door een verplichte accreditatie bij of erkenning door het ‘eigen’ ministerie van Justitie, komt nooit buiten. Of heeft iets heel anders voor ogen.